Wat we leerden

Vandaag stormde het. Voor het raam
zag ik het vuil uit hoeken vluchten, opgejaagd
door een onzichtbare hand, die duwde en dwong,
– een marionettenspeler – de wereld bewoog.

Ik luisterde naar de potten met planten,
de woest wakker geslagen plastic tas,
het rammelende blikje energy-drink,
tot de dakpannen en bomen braken.

Een vrouw hield kinderen op het midden van de straat
– gevaar kun je ruiken in de angst van de ander –
moeders zijn de ijsberen van de aarde.

Ze keek met mij mee omhoog,
alsof we daar een teken konden ontwaren.
Er vloog een meeuw van zijn pad af
koerste als een schip op drift,

het leek hem niet te deren, gleed zijdelings weg
nam onze ogen mee in lang
getrokken draden van wat ik dacht.

En alles bleef maar vallen;
de dagen, mijn wimpers, jouw handen, beloftes
tot niets meer over was en toch ook de wind, die ook,
ging liggen als een aaibare hond.

We hebben het daar gelaten
voor een volgende storm,
dat was wat we hadden geleerd van de vorige keer;
wat zich niet laat driften, maar valt, valt een volgende keer weer.