Prooi

Hij zit naast me aan de andere zijde
kijkt als een hert door de coupe
gekneusde papieren in zijn lange handen
die nergens lang blijven
ze strijken langs de randen
volgen trillend de lijnen van zijn mond
wrijven knieën
omvatten zijn hals
pakken wat valt weer van de grond

Ter Apel in Arabische tekens
magische vormen als tussenstations
voor deze reis

grote bruine ogen kruisen mijn blik
ik mompel
‘pas op voor de jagers’
hij hoort me niet maar slikt
‘Is this the right way, is this oké’
ik knik
maar denk
nee
wat weet ik tenslotte van dit soort vragen
ik leef niet in het wild

 

Bang in het donker

Ik bracht net Leloup naar bed en ze was een beetje bang, ze is geen held in het donker. Ik stelde haar gerust en vertelde haar over Ronja, 1 van mijn lievelingsverhalen , Ronja de Roversdochter van Astrid Lindgren, een onevenaarbaar mooi verhaal. Het is een verhaal over een roversfamilie in het midden van Zweden. De roversdochter Ronja is een meisje met een wilde bos zwart haar en koolzwarte ogen. Ze groeit op tussen de roversbende, haar roverhoofdman vader en als enige andere vrouw, haar eigengereide moeder die in haar eentje alle rovermannen in het gareel houdt. Om de burcht waar ze wonen ligt een uitgestrekt bos met rotsen, meren, wilde dieren en een sterk stromende rivier. Ik herinner Leloup aan één van de mooiste stukjes uit het verhaal, het moment dat Ronja alleen het bos in wil en haar vader bijna gek wordt van angst. Hij verteld haar waar ze allemaal voor op moet passen, de vogelheksen, de kloof, de trollen, de mistwezens, dat ze niet in de rivier valt. Terwijl haar vader blijft roepen waar ze allemaal voor op moet passen loopt Ronja het bos in. ‘En waar ga je dan nu naar toe’ roept vader haar nog paniekerig na, ‘naar de rivier natuurlijk, waar kan ik anders leren om er niet in te vallen!’
Leloup kijkt me stil aan. Ik zeg ‘er is hier niets om bang voor te zijn, je ligt in een heerlijk bed in een veilig huis,je moet alleen nog wat sterker worden, leren om niet bang te zijn voor het donker en waar kun he dat nu beter leren dan in het donker?’
Ze lacht. ‘Dat is een goeie’ zegt ze, ‘dit wordt mijn nieuwe motto.’
‘Als je wil leren om niet in de rivier te vallen dan kun je dat alleen maar leren bij de rivier’.
‘Dappere dodo’ zeg ik.
Ze kruipt met een vastberaden blik onder de deken en ik sluit de deur tot een kier, fluister nog een kusje en loop de trap af terwijl ik denk -kleine Ronja-.

Droom werkelijkheid

Opeens overvalt me een herinnering, een fysieke herinnering, aan vliegen,
ja, echt vliegen,
of het begin er van,
zweven,
omhoog komen.
Ik kan letterlijk voelen wat ik deed in adem, in lichaam, om van de grond omhoog te komen en hoe fijn en fragiel de balans.
Het lukte me steeds langer, dat weet ik, ik weet ook nog dat ik het aan Bonk uitlegde,
ik weet alleen niet meer waar het was en wanneer,
pieker me suf.
Misschien was het Koh Tao en water,
misschien dat ik vliegen en zweven in water verwar in herinnering.
Misschien dat dingen door elkaar lopen van droom en werkelijkheid,
ik ben het lijntje ertussen even kwijt.
Weet alleen dat het zo zalig voelde en dat ik trots was en vastberaden het te blijven oefenen
totdat ik het steeds langer zou kunnen.
Het is zo tastbaar dat ik nu letterlijk heimwee voel.
Ik hoop zo dat het waar was
maar mijn hoofd zegt dat ik het waarschijnlijk heel helder heb gedroomd, ergens
Of was het water,
was het toch Koh Tao.
-Vreemd hoofd, vreemde (on) werkelijkheid-

 

Het mooiste sinterklaas cadeau

Onze zoon, Bonk,  is vier als we haar halen, het cadeautje van de Sint. Een grijs bolletje wol, meer een pluizig konijntje dan een kat. Het blonde jongetje en het grijze bolletje zijn al vlug onafscheidelijk. Hij noemt haar Madelief en zeult haar overal mee naar toe en zij laat dat toe. Ze is nog zo klein dat we haar niet alleen thuis willen laten dus nemen we haar mee in de trein naar mijn ouders om daar de kerst te vieren. In de trein zit ze wollig, schattig te wezen op het tafeltje tussen de banken terwijl ze gefascineerd naar het voorbijrazende landschap kijkt. Later nemen we haar ook mee op de fiets en stoppen haar dan onder onze jas. Madelief vindt alles best. Zo moeilijk is ze niet.
Ze is nog geen half jaar, en naar ons idee nog nooit krols geweest, als ze zwanger wordt. Veels te klein, een kindje, een kind moedertje. Arme zij. Vader blijkt een stoere vent uit de tuin, ook grijs en van het kaliber Tom O’reilly uit de Aristokatten. Hij sluipt ’s nachts naar binnen en slaapt dan naast zijn zwangere vriendinnetje op de bank. Zo’n 9 weken later kruipt ze bij mij op schoot en wil er niet meer af. Ze vraagt om hulp. Ik begrijp het meteen, herinner me mijn eigen bevalling en blijf bij haar. Lichte paniek staat in haar ogen en ze blijft me aankijken vanaf mijn schoot. Ik aai haar kleine koppie en fluister geruststellend dat het goed komt. Ze vertrouwt me en ik leg haar in het kartonnen doosje met de handdoek. De eerste twee komen er goed uit, een glad zwart langwerpig dingetje met pootjes en een tweede, net zo glad maar nu grijs, bij de derde lijkt ze te moe. Met haar tengere lijfje lukt het haar niet om deze eruit te krijgen. Het 3e kindje hangt half uit haar en blijft daar hangen. Ze geeft op en gaat liggen. Ze hijgt. Het duurt te lang, ik maak me zorgen en besluit haar te helpen, trek lichtjes aan het glibberige lijfje en ook dit poeze-kindje wordt geboren. Maar het lichaampje is stil. Het beweegt niet en zij kijkt er niet naar om. Ze likt de andere twee schoon terwijl deze hoge piepgeluidjes maken. Ik wacht niet, pak een watje, maak het nat en veeg over het kopje van het stille diertje, aai vervolgens drukkend over het kleine lichaampje en het werkt. Het piept. Het ademt. En als door de bliksem getroffen draait Madelief zich om en begint ook hem te likken. Alles is goed.
Al weet ik niet of het ooit echt goed gekomen is met deze laatste. Dit jongetje, haar zoon, hij heeft nog steeds een hoog stemmetje en staat nog iedere ochtend als een kleutertje om kusjes te vragen bij zijn moeder. Beertje hebben we hem genoemd en terwijl zijn zusjes een goed huis vonden is hij gebleven. Inmiddels zijn ze 14 en 13 en half. Moeder en zoon.
Na de bevalling had Madelief het zwaar. Ze was nog maar zo klein en de drie kinderen zogen haar leeg. Als ik foto’s terug kijk van deze tijd zie ik een mager poesje met 3 donderstenen aan haar kleine voetjes. Ik herken haar uitdrukking. De trots maar ook de zwaarte van het beginnend moederschap. Ze was vaak heel erg moe en ik vertroetelde haar. We steriliseerde haar echter ook en met het vertrek van haar dochters, keerde de rust terug in huis. Madelief hield zich bezig met haar zoon, ik met de mijne en onze zoons speelden samen en groeiden samen op. Tot ik een aantal jaren later weer zwanger werd. Ze week niet van mijn zijde, leek te begrijpen wat er gebeurde en nam haar taak serieus, zij zou zorgen dat alles goed ging. Bij de bevalling zat ze op de badrand en hield alles nauwlettend in de gaten. Het ging goed en samen verzorgden we het nieuwe meisje. Als het meisje huilde kwam zij mij luid schreeuwend halen. Bij het verschonen, het badderen en het naar bed brengen, was zij er bij en hield alles nauwlettend in de gaten. En zo groeide het.
Om zeven uur, weet ze, moeten we opstaan en word ik wakker door gekrab aan de slaapkamer deur. Ik wankel slaperig uit bed om de deur voor haar te openen en zij hupt vervolgens op het bed. Snorrend geeft ze ons een klein kusje waarbij haar snorharen me zacht kriebelen. Ik aai haar nog even door haar zachte haren en duw soms mijn neus nog even in haar pluizige buik. Ze ruikt altijd zoet en wollig. Zij snort en ik word wakker. Uit bed volgt ze me naar boven naar de douche. Daar wacht ze op de wasmand tot ik klaar ben. Tussendoor kletsen we. Zij miauwend, ik in mijn taal. We begrijpen elkaar. Als ik klaar ben lopen we samen het gangetje op naar de dichte deuren van de kinderen. Zij is me altijd voor en kijkt me bevestigend aan, de kinderen moeten wakker. Ik open de deur en wek ze zacht, zij geeft ze vast wakker-word-kusjes met haar neusje. Samen gaan we dan naar beneden. Ik geef haar eten en samen begroeten we haar zoon. Als de kinderen naar school gaan staat ze bij de deur. Pas als ze weg zijn gaat ze weer haar eigen gang. Ze weet wanneer ze thuis zullen komen. Zij weet het eerder dan ik. Tot die tijd slaapt ze. Als het te lang stil is in huis wordt ze onrustig en komt al van verre schreeuwend naar beneden om te vragen of er niets aan de hand is, dan gaat ze wachten bij het raam.
S avonds nestelt ze zich bij alle kinderen op de bank, de hare en de mijne. Zij hoort bij ons, zij hoort bij mij. Samen werden we ouder, samen werden we mama. Wij weten wat hier nodig is en hoe het, het beste loopt. Madelief en ik. Ik en Madelief.

Zo bijzonder de vriendschap van een dier. Ik hoop dat ze nog lang bij ons blijft.                                    –

 

Wat jij

Daar is dan, de dag, twee honden bijten
elkaar en wij, we kijken. Niets is er waar.
Ze bekwijlen elkaar, bekwispelen
walging, wat een nijd en woorden,
kan ik hier niet kwijt. We volgen Amerika
tijdens, en bijna zoet gebracht, lijkt alles waar.

In een wit huis staat een bed
wat genadeloos wacht, op een lange nacht.
Vast verzint en begint aan dromen
voor een nieuwe dag,
waar verder nog niemand aan heeft gedacht.

Beter wordt het ook niet.

 

 

De avondboot

We zouden de avondboot niet nemen maar deden het toch. Waarom? Ja, omdat dat soms zo gaat. We waren moe, misschien daarom, of omdat het zoveel goedkoper was?
We waren in Thailand; ik, mijn vriend Rick en onze zoon Bonk van 5. Bonk had de treinreis van Bangkok naar de kust geslapen en bij de zee aangekomen bespraken we de opties; wachten tot de volgende ochtend en de snelle catamaranboot pakken of, net als de locals met de nachtboot gaan, die over een paar uurtjes vertrok?
Het werd de nachtboot.
Het was rond 22.30, het sein werd gegeven. Onze rugzakken werden door de kleine sterke mannen behendig aan boord gegooid, net als de samengepakte balen kleding, de bakken fruit en groente, de kleurige bagage van onze medereizigers. We wiebelden over de loopplank de kleine maar robuuste boot op tezamen met de locals. Alles ging snel. We manouvreerden ons tussen de vele etenswaren en andere koopwaar door naar een rustig plekje op de zijkant van de boot. We zaten perfect. Onze rugzakken naast ons. Ik plaatste mijn voeten tegen de open reling waar tussendoor ik perfect de zee kon zien en Bonk nestelde zich, al bijna slapend, tussen ons in. Wat wilde ik nog meer. Ik lachte moe maar trots op de verworven plek, naar Rick. Hij lachte terug. ‘Veel beter dan die toeristen shit, toch!’ Ik knikte. De tocht zou zo’n 6 uur duren, dus we hadden alle tijd om te genieten.
Daarna ging alles snel. De boot vertrok, de grote bak koerste richting open zee en de locals verdwenen benedendeks. ‘Zijn daar bedden denk je’ vroeg ik Rick, maar hij dacht van niet. ‘Het is beter zo. We gaan niet beneden zitten, dan zien we niets.’ zei hij ‘We zitten hier goed. Bonk kan tussen ons in slapen.’ Ik knikte. Ik ben geen held op zee en laat me graag geruststellen op zulke momenten. Achteraf had ik beter naar mijn gevoel moeten luisteren en naar benedendeks moeten gaan want wat volgde was een ware hel.
Terwijl we de haven uit voeren en de boot, rustig, snorde, viel de nacht als een deken over ons heen. Het werd donker en niet zomaar donker, het werd zwart. We zagen niets meer. De reling voelde opeens akelig dichtbij en open. Ik besefte hoe kwetsbaar we daar zaten met een kind wat nauwelijks kon zwemmen. De zee onder ons was al lang geen rustig blauw vlak meer maar was getransformeerd in een grommend zwart dier. Ik trok Bonk naar me toe en rilde. Met het invallen van de nacht werd er een hele andere zee wakker. Een zee die ik niet kende. De boot, die zo veilig had geleken, veranderde in een speelgoed boot-je. Op de open vlakte buiten de haven, zwol de wind aan en zweepte het water op. Ze begon aan een gruwelijk kat en muis spel met ons. We waren gereduceerd tot speelgoed van een wreed dier. Alsof er met ons gelummeld werd, zo gooide ze ons over. En terwijl de boot met grote klappen de golven opving, hield ik Bonk krampachtig tegen me aangedrukt. Het kleine lijfje rilde en voelde klam en koud. Het zoute water gutste met lange gladde armen over de reling en trok aan hem. En alsof het nog niet genoeg was begon het te regenen. Zwiepende striemende regen. Regen die me de laatste centimeters zicht ontnamen. Regen die me desoriënteerde, regen die al mijn woorden op at en me onverstaanbaar maakte.
Waarom gingen we niet naar benedendeks hoor ik je denken? We konden niet meer. We durfden niet meer. We hadden geen tijd om te denken. We waren aan het overleven. Het luik was ergens meters bij ons vandaan, wist ik, maar ik kon het niet meer zien. De regen en de golven hadden alles spiegelend glad gemaakt en er was geen ander mens meer op het dek, we waren alleen, overgeleverd aan iets wat zoveel sterker was dan wij. Er volgden zes tergend langzame uren waarin ik, tussen de golven door, Bonk inpakte in alles wat hem warm zou kunnenhouden. Hij viel in slaap. We bonden zo goed en zo kwaad het kon de rugzakken aan de spijlen en dekte zo de gaten af. Uren lang zag ik hem in het water verdwijnen, onder de spijlen doorschieten, meegetrokken worden door 1 van de golven. Ik kon aan niets anders denken dan aan hoe ik achter hem aan zou springen en het niet zou helpen. Hoe we, beiden, opgeslokt zouden worden door dit monster. Ik hield hem stevig vast. Hij zou me niet ontglippen. ‘Alles komt goed’ fluisterde ik, ‘alles komt goed’. Klappertandend, doorweekt en koud tot op het bot, zag ik, helse uren later, de zon opkomen en het dier zich verstoppen onder een blauw gestrekte deken. In de verte waren de contouren van het paradijs al te zien. We hadden het gered. Maar nooit, nooit meer, zal ik vergeten wat ik die nacht zag, wie er slaapt onder dat idyllische blauwe vlak.

 

Wat ik niet vertel

Ik breng haar haar dromen,
wikkel ze in een lach
en laat de dag verwaaien door kieren.
Ze kust me zacht, zwaait een zuchtje na,
en legt dan knoopjes in haar rozige oren.

Ik vertel haar niet
dat ik eigenlijk waak,
dat ik het slot ben
voor de draak.

Dat daar buiten,
in gruwel geslacht,
of zelfs veel wreder,
de dagelijkse nachtmerrie wacht.

 

De school

Er waren meerdere trappen die ieder een andere verdieping
bereikten. Ik heb ze niet allemaal gelopen. Ik koos er één. Ze
waren stuk voor stuk steil en ook deze. 37 treden van
beneden vandaan. Boven was het donker en stil. De trap
eindigde bij een deur waarachter de leegte van een open
ruimte me overviel en ik ging liggen op de vloer. Koud beton
voor een verhit hoofd.
Beter kun je niet teveel wensen als er ook al niet veel wordt
beloofd. Trappen zouden ergens toe moeten leiden, de moeite
van het beklimmen waard. Het gegeven van omhoog wekt
hoop.
Ik vond er een nieuwe slaap. Al waren er wel meerdere trappen
die een andere verdieping bereikten.

Op de vlucht

Hij heeft een onrustige blik, zittend op het puntje van het treinbankje met het, me inmiddels bekende, a4tje met instructies in zijn hand.
Ik vraag; ‘oké? ‘
Hij knikt. Meer uit ongemak dan dat het kennelijk echt oke is.
Iets later schuift hij naar voren naar het bankje naast me en wijst verlegen op het a4tje.
Is dit de trein? Vraagt hij zonder woorden.
Ik beantwoord hem in het Engels. Hij begrijpt me niet.
Ik wijs naar de grond en steek mijn duim op.
Hij snapt het maar dan zie ik zijn tranen. Hij huilt. ‘Sorry’ zegt hij.
Ik probeer te troosten maar weet niet hoe.
Hij staart uit het raam terwijl de tranen over zijn wangen blijven rollen.
Hij veegt ze weg.
Hij veegt ze nog eens weg. Ze blijven komen.
Ik geef hem mijn flesje spa en mijn mandarijnen. Ik weet dat het maar eten is…..
‘Sorry’ zeg ik.

‘De vluchteling’ wordt langzaam een abstractie, een onderwerp voor een diepgaand gesprek met vrienden….behalve als je naast hem zit. Naast een ander mens die huilt.