Daar zit je dan, te gast, zonder dat je naar huis kunt.

Wat neem je mee als je vlucht? Geld, belangrijke papieren, je telefoon, eten? Niet veel in elk geval.
Ik probeer me vaak voor te stellen hoe dat moet voelen, hoe het is om te moeten vertrekken. Ergens besluit je te gaan, dat je niet anders kunt en dat je moet gaan. En dan ga je.

Maanden later kom je aan, in een vreemd land, met je zomerschoenen en zomerjas, nog geen bed voor de nacht, nog geen eten.
Met een hoop mazzel, waar je waarschijnlijk dankbaar voor bent tot in je tenen, heb je de reis overleeft en ben je aangekomen in Nederland. Je vindt een opvang en je durft, misschien, voor het eerst te huilen, even los te laten. Je bent veilig. Je mag zelfs mee met de aardige dame die je naar de verzamelplaats brengt, of het winkeltje zoals de anderen het noemen. Daar liggen spullen, spullen die mensen, die iets konden missen, daar brachten voor mensen zoals jij, mensen zonder iets. Je krijgt een jas en mag ondergoed, een shirt en een broek uitzoeken. Iets later kun je douchen en krijg je eten. Je lacht zelfs even, misschien.
Het zal nu allemaal beter gaan. Je denkt aan je familie. Binnenkort zal je ze weer zien. Morgen ga je vragen of ze kunnen achterhalen hoe het met ze gaat, waar ze zijn. Morgen, maar eerst moet je slapen. Zo moe ben je.
Maar de volgende dag is er niemand die een antwoord weet en de dag erna ook niet.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niets meer te hebben, alleen dat wat je krijgt. Om zoveel te moeten missen dat je hart voortdurend huilt, om nog wat later een groot pijnlijk gat te worden zonder einde of begin waar je om heen gaat lopen, of van weg gaat lopen. Waar beelden in zitten van spelende kinderen, eerste liefdes, bloesem in de lente, de geboorte van je zoon, je lachende moeder maar ook andere beelden, lichtflitsen in de lucht, instortende huizen, je huilende vader. Zoiets denk ik dat, misschien, gebeurt.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om je dagen te vullen met pogingen tot hoop. Om afhankelijk te zijn, afhankelijk zoals een huisdier van zijn eigenaar. Om niet verder te kunnen gaan met leven omdat je geen bouwstenen meer hebt, geen familie, geen bezit, geen werk, geen geld zelfs geen vrijheid.
En dat het dan winter  wordt, zoals nu. Je bent hier al lang. Je telt de dagen maar bij de administratie weten ze het preciezer.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, als je ergens bent waar je niet kunt zijn. Als je plek er niet meer is en er ergens anders, hier, ook geen plek meer voor je is en dat je dat begrijpt. Dat je begrijpt dat je te gast bent en dat je normaal gesproken beleefd op huis aan zou gaan als je merkt dat je aanwezigheid wel genoeg is geweest. Alleen kun je niet naar huis.
Hier thuis, in dit warme huis vol herinneringen, foto’s, tekeningen, sporen van een fijn verleden en daarnaast een zacht warm bed, kasten vol eten, twee snorrende katten en mijn goed doorvoede gezonde kinderen en mijn lief, probeer ik me dat voor te stellen.

Hoe het is als je niet naar huis kunt, dat er geen thuis meer is, dat alles weg is. Je niets liever zou doen dan naar huis gaan omdat alles alleen nog maar missen is geworden en een volgende dag, die komt, steeds weer.

 

[bloglovin_button]

Er was eens…

‘s Avonds, als ik binnen stap, omhelst
haar wereld mijn dag. Ze plaatst kusjes
als lichte veertjes en als trofee vangt ze mijn lach.
Ze neemt me mee in haar verhalen, knoopt
haar woorden tot een net. Zo schept ze luchtig,
nieuwe dromen, tot ik zeg: ‘kom, nu naar bed’

Een sprookje zou haar niet misstaan: ik zou
haar gouden haren kronen, het bos
met vogels tooien, de prinses
in haar ontmoeten en de draak voor haar verslaan.

Zo verdwaal ik in verhalen, knoop mijn woorden tot een net.
Schep ik luchtig nieuwe dromen, tot zij zegt:
‘Kom, je bracht me toch naar bed.’

 

[bloglovin_button]

 

 

 

 

Een wrede stilte

Hier komen we samen. Vraag naar ons. Ze zullen je wijzen waar.
Na de deur neem je de steile trappen, je slaat niet af maar
pas boven blijf je staan.
Daar vind je een ruimte met stille mensen. Ze wachten
met gestreken handen,
op hem, net zoals jij zult doen.
Neem een plaats die vrij is.

Hier is het, hier zal het zijn.
Hier speel je allereerst de nonchalance
met verve
en herhaalt de namen.
Als hij komt zul je het weten.
Hij zal lachen als hij ons ziet, het teken. Het komt goed.
Hij weet tenslotte waarvoor we komen, neemt plaats en
fluistert een naam.
Dat is het teken.

Dan schuiven we woorden
over de bleke tafel en leggen letters in het felle licht.
Ook jij.
We kijken toe hoe hij met zachte handen ontleedt en vraagt
of iemand anders nog wil snijden. Dan zwijgen we vooral, in wrede stilte.
Wij, zorgvuldige vreemden.

Daar zul je ons vinden en weten dit ben jij.

 

 

 

[ode aan de schrijversvakschool]

 

[bloglovin_button]

Verandering

Zou het een biologisch nut hebben dat zoveel mensen moeite hebben met veranderingen die betrekking hebben op hun eigen leven? En dan met name wanneer ze zelf niet betrokken zijn geweest de ontwikkeling van het idee wat ten grondslag ligt aan de verandering.

Terwijl diezelfde mens het, even zo makkelijk, lastig en vreemd vindt als andere mensen moeite hebben met veranderingen waar zij de initiators van zijn, of zijn geweest.

Hmmm?!

Free your mind your ass will follow [gotcha]

Prooi

Hij zit naast me aan de andere zijde
kijkt als een hert door de coupe
gekneusde papieren in zijn lange handen
die nergens lang blijven
ze strijken langs de randen
volgen trillend de lijnen van zijn mond
wrijven knieën
omvatten zijn hals
pakken wat valt weer van de grond

Ter Apel in Arabische tekens
magische vormen als tussenstations
voor deze reis

grote bruine ogen kruisen mijn blik
ik mompel
‘pas op voor de jagers’
hij hoort me niet maar slikt
‘Is this the right way, is this oké’
ik knik
maar denk
nee
wat weet ik tenslotte van dit soort vragen
ik leef niet in het wild

 

[bloglovin_button]

Bang in het donker

Ik bracht net Leloup naar bed en ze was een beetje bang, ze is geen held in het donker. Ik stelde haar gerust en vertelde haar over Ronja, 1 van mijn lievelingsverhalen , Ronja de Roversdochter van Astrid Lindgren, een onevenaarbaar mooi verhaal. Het is een verhaal over een roversfamilie in het midden van Zweden. De roversdochter Ronja is een meisje met een wilde bos zwart haar en koolzwarte ogen. Ze groeit op tussen de roversbende, haar roverhoofdman vader en als enige andere vrouw, haar eigengereide moeder die in haar eentje alle rovermannen in het gareel houdt. Om de burcht waar ze wonen ligt een uitgestrekt bos met rotsen, meren, wilde dieren en een sterk stromende rivier. Ik herinner Leloup aan één van de mooiste stukjes uit het verhaal, het moment dat Ronja alleen het bos in wil en haar vader bijna gek wordt van angst. Hij verteld haar waar ze allemaal voor op moet passen, de vogelheksen, de kloof, de trollen, de mistwezens, dat ze niet in de rivier valt. Terwijl haar vader blijft roepen waar ze allemaal voor op moet passen loopt Ronja het bos in. ‘En waar ga je dan nu naar toe’ roept vader haar nog paniekerig na, ‘naar de rivier natuurlijk, waar kan ik anders leren om er niet in te vallen!’
Leloup kijkt me stil aan. Ik zeg ‘er is hier niets om bang voor te zijn, je ligt in een heerlijk bed in een veilig huis,je moet alleen nog wat sterker worden, leren om niet bang te zijn voor het donker en waar kun he dat nu beter leren dan in het donker?’
Ze lacht. ‘Dat is een goeie’ zegt ze, ‘dit wordt mijn nieuwe motto.’
‘Als je wil leren om niet in de rivier te vallen dan kun je dat alleen maar leren bij de rivier’.
‘Dappere dodo’ zeg ik.
Ze kruipt met een vastberaden blik onder de deken en ik sluit de deur tot een kier, fluister nog een kusje en loop de trap af terwijl ik denk -kleine Ronja-.
[bloglovin_button]

Droom werkelijkheid

Opeens overvalt me een herinnering, een fysieke herinnering, aan vliegen,
ja, echt vliegen,
of het begin er van,
zweven,
omhoog komen.
Ik kan letterlijk voelen wat ik deed in adem, in lichaam, om van de grond omhoog te komen en hoe fijn en fragiel de balans.
Het lukte me steeds langer, dat weet ik, ik weet ook nog dat ik het aan Bonk uitlegde,
ik weet alleen niet meer waar het was en wanneer,
pieker me suf.
Misschien was het Koh Tao en water,
misschien dat ik vliegen en zweven in water verwar in herinnering.
Misschien dat dingen door elkaar lopen van droom en werkelijkheid,
ik ben het lijntje ertussen even kwijt.
Weet alleen dat het zo zalig voelde en dat ik trots was en vastberaden het te blijven oefenen
totdat ik het steeds langer zou kunnen.
Het is zo tastbaar dat ik nu letterlijk heimwee voel.
Ik hoop zo dat het waar was
maar mijn hoofd zegt dat ik het waarschijnlijk heel helder heb gedroomd, ergens
Of was het water,
was het toch Koh Tao.
-Vreemd hoofd, vreemde (on) werkelijkheid-

 

[bloglovin_button]

Het mooiste sinterklaas cadeau

Onze zoon, Bonk,  is vier als we haar halen, het cadeautje van de Sint. Een grijs bolletje wol, meer een pluizig konijntje dan een kat. Het blonde jongetje en het grijze bolletje zijn al vlug onafscheidelijk. Hij noemt haar Madelief en zeult haar overal mee naar toe en zij laat dat toe. Ze is nog zo klein dat we haar niet alleen thuis willen laten dus nemen we haar mee in de trein naar mijn ouders om daar de kerst te vieren. In de trein zit ze wollig, schattig te wezen op het tafeltje tussen de banken terwijl ze gefascineerd naar het voorbijrazende landschap kijkt. Later nemen we haar ook mee op de fiets en stoppen haar dan onder onze jas. Madelief vindt alles best. Zo moeilijk is ze niet.
Ze is nog geen half jaar, en naar ons idee nog nooit krols geweest, als ze zwanger wordt. Veels te klein, een kindje, een kind moedertje. Arme zij. Vader blijkt een stoere vent uit de tuin, ook grijs en van het kaliber Tom O’reilly uit de Aristokatten. Hij sluipt ’s nachts naar binnen en slaapt dan naast zijn zwangere vriendinnetje op de bank. Zo’n 9 weken later kruipt ze bij mij op schoot en wil er niet meer af. Ze vraagt om hulp. Ik begrijp het meteen, herinner me mijn eigen bevalling en blijf bij haar. Lichte paniek staat in haar ogen en ze blijft me aankijken vanaf mijn schoot. Ik aai haar kleine koppie en fluister geruststellend dat het goed komt. Ze vertrouwt me en ik leg haar in het kartonnen doosje met de handdoek. De eerste twee komen er goed uit, een glad zwart langwerpig dingetje met pootjes en een tweede, net zo glad maar nu grijs, bij de derde lijkt ze te moe. Met haar tengere lijfje lukt het haar niet om deze eruit te krijgen. Het 3e kindje hangt half uit haar en blijft daar hangen. Ze geeft op en gaat liggen. Ze hijgt. Het duurt te lang, ik maak me zorgen en besluit haar te helpen, trek lichtjes aan het glibberige lijfje en ook dit poeze-kindje wordt geboren. Maar het lichaampje is stil. Het beweegt niet en zij kijkt er niet naar om. Ze likt de andere twee schoon terwijl deze hoge piepgeluidjes maken. Ik wacht niet, pak een watje, maak het nat en veeg over het kopje van het stille diertje, aai vervolgens drukkend over het kleine lichaampje en het werkt. Het piept. Het ademt. En als door de bliksem getroffen draait Madelief zich om en begint ook hem te likken. Alles is goed.
Al weet ik niet of het ooit echt goed gekomen is met deze laatste. Dit jongetje, haar zoon, hij heeft nog steeds een hoog stemmetje en staat nog iedere ochtend als een kleutertje om kusjes te vragen bij zijn moeder. Beertje hebben we hem genoemd en terwijl zijn zusjes een goed huis vonden is hij gebleven. Inmiddels zijn ze 14 en 13 en half. Moeder en zoon.
Na de bevalling had Madelief het zwaar. Ze was nog maar zo klein en de drie kinderen zogen haar leeg. Als ik foto’s terug kijk van deze tijd zie ik een mager poesje met 3 donderstenen aan haar kleine voetjes. Ik herken haar uitdrukking. De trots maar ook de zwaarte van het beginnend moederschap. Ze was vaak heel erg moe en ik vertroetelde haar. We steriliseerde haar echter ook en met het vertrek van haar dochters, keerde de rust terug in huis. Madelief hield zich bezig met haar zoon, ik met de mijne en onze zoons speelden samen en groeiden samen op. Tot ik een aantal jaren later weer zwanger werd. Ze week niet van mijn zijde, leek te begrijpen wat er gebeurde en nam haar taak serieus, zij zou zorgen dat alles goed ging. Bij de bevalling zat ze op de badrand en hield alles nauwlettend in de gaten. Het ging goed en samen verzorgden we het nieuwe meisje. Als het meisje huilde kwam zij mij luid schreeuwend halen. Bij het verschonen, het badderen en het naar bed brengen, was zij er bij en hield alles nauwlettend in de gaten. En zo groeide het.
Om zeven uur, weet ze, moeten we opstaan en word ik wakker door gekrab aan de slaapkamer deur. Ik wankel slaperig uit bed om de deur voor haar te openen en zij hupt vervolgens op het bed. Snorrend geeft ze ons een klein kusje waarbij haar snorharen me zacht kriebelen. Ik aai haar nog even door haar zachte haren en duw soms mijn neus nog even in haar pluizige buik. Ze ruikt altijd zoet en wollig. Zij snort en ik word wakker. Uit bed volgt ze me naar boven naar de douche. Daar wacht ze op de wasmand tot ik klaar ben. Tussendoor kletsen we. Zij miauwend, ik in mijn taal. We begrijpen elkaar. Als ik klaar ben lopen we samen het gangetje op naar de dichte deuren van de kinderen. Zij is me altijd voor en kijkt me bevestigend aan, de kinderen moeten wakker. Ik open de deur en wek ze zacht, zij geeft ze vast wakker-word-kusjes met haar neusje. Samen gaan we dan naar beneden. Ik geef haar eten en samen begroeten we haar zoon. Als de kinderen naar school gaan staat ze bij de deur. Pas als ze weg zijn gaat ze weer haar eigen gang. Ze weet wanneer ze thuis zullen komen. Zij weet het eerder dan ik. Tot die tijd slaapt ze. Als het te lang stil is in huis wordt ze onrustig en komt al van verre schreeuwend naar beneden om te vragen of er niets aan de hand is, dan gaat ze wachten bij het raam.
S avonds nestelt ze zich bij alle kinderen op de bank, de hare en de mijne. Zij hoort bij ons, zij hoort bij mij. Samen werden we ouder, samen werden we mama. Wij weten wat hier nodig is en hoe het, het beste loopt. Madelief en ik. Ik en Madelief.

Zo bijzonder de vriendschap van een dier. Ik hoop dat ze nog lang bij ons blijft.                                    –

 

[bloglovin_button]

Wat jij

Daar is dan, de dag, twee honden bijten
elkaar en wij, we kijken. Niets is er waar.
Ze bekwijlen elkaar, bekwispelen
walging, wat een nijd en woorden,
kan ik hier niet kwijt. We volgen Amerika
tijdens, en bijna zoet gebracht, lijkt alles waar.

In een wit huis staat een bed
wat genadeloos wacht, op een lange nacht.
Vast verzint en begint aan dromen
voor een nieuwe dag,
waar verder nog niemand aan heeft gedacht.

Beter wordt het ook niet.