Ten overvloede

de lente steekt haar prille geuren als meisjesborsten in de lucht
reisleiders staan klaar met bordjes voor hen die willen volgen

maar de stad sloft haar versleten schoenen
trilt als een koude hond buiten de deur van het café
in haar schoot wassen negen duiven zich grijzer
scheppen brede mannen blauwig de winter uit haar aderen
bungelen verdronken fietsen als geruimde herten aan hun haak
slachtoffers van de overbevolkte contouren, haar overdaad

laat je schoenen heel, ontwijk elk bord, pak je fiets
– voor het te laat is – volg niemand anders
dan de wolkenwangen van de zon en ga
voor ze de hekken sluiten, de honger achterna, kom

Nu het warmer wordt

We zouden vogels kunnen zijn, balancerende
vleugelharten in de wind. Ik in jouw kielzog

of jij onder mij in lieglijn koersend op warmte.
We zouden golven kunnen zijn. Jij de zevende

huizenhoog. Ik de vele kleine. Het witte schuim
slaand uit onze dijen, zoute lichamen

in valversnellingen brekend op de kust.
We zouden de ander kunnen zijn. Mijn huid als jas

over de jouwe. Schreeuwend uit onze mond
een verwisselbare ik. Zoveel dragelijker dan

in de luwte van de formatie of de wederkerigheid
van het getij zouden ik en jij, zwevend

op thermiekbellen in de vlucht, schuimkoppig
in de windgolven van de zeegang, meer zijn
dan de uitkomst van het golfgetal.