Ten overvloede

de lente steekt haar prille geuren als meisjesborsten in de lucht
reisleiders staan klaar met bordjes voor hen die willen volgen

maar de stad sloft haar versleten schoenen
trilt als een koude hond buiten de deur van het café
in haar schoot wassen negen duiven zich grijzer
scheppen brede mannen blauwig de winter uit haar aderen
bungelen verdronken fietsen als geruimde herten aan hun haak
slachtoffers van de overbevolkte contouren, haar overdaad

laat je schoenen heel, ontwijk elk bord, pak je fiets
– voor het te laat is – volg niemand anders
dan de wolkenwangen van de zon en ga
voor ze de hekken sluiten, de honger achterna, kom

Wat we leerden

Vandaag stormde het. Voor het raam
zag ik het vuil uit hoeken vluchten, opgejaagd
door een onzichtbare hand, die duwde en dwong,
– een marionettenspeler – de wereld bewoog.

Ik luisterde naar de potten met planten,
de woest wakker geslagen plastic tas,
het rammelende blikje energy-drink,
tot de dakpannen en bomen braken.

Een vrouw hield kinderen op het midden van de straat
– gevaar kun je ruiken in de angst van de ander –
moeders zijn de ijsberen van de aarde.

Ze keek met mij mee omhoog,
alsof we daar een teken konden ontwaren.
Er vloog een meeuw van zijn pad af
koerste als een schip op drift,

het leek hem niet te deren, gleed zijdelings weg
nam onze ogen mee in lang
getrokken draden van wat ik dacht.

En alles bleef maar vallen;
de dagen, mijn wimpers, jouw handen, beloftes
tot niets meer over was en toch ook de wind, die ook,
ging liggen als een aaibare hond.

We hebben het daar gelaten
voor een volgende storm,
dat was wat we hadden geleerd van de vorige keer;
wat zich niet laat driften, maar valt, valt een volgende keer weer.

 

Houd moed

Dus zat je daar met een huis vol
mogelijk geluk. Een koffiekop
met de tekst houd moed,
de extra stofzuiger, lege fotolijsten,
de gevonden koffers in de gang

voor als, zoals ook de extra borden, bekers,
glazen. De herinneringen liggen in de lades
in stapeltjes van betere tijden.
De buurvrouw vraagt of je iets hebt
aan de restjes van haar feest, wat kaas

een stuk taart, de wijn is op, er zijn
natuurlijk weer veel gasten geweest.
Ze plaatst het vanmiddag op de trap.
Daar wacht je nu op onder de slingers
met Hiep Hiep Hoera, die je bewaarde

voor speciale momenten, als deze,
je vond ze in de la.

Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.

 

 

Niet voor jou

Je lacht, schuilt achter strakke wangen, waar je
pijn verzwijgt onder de huid, zandzakken werpt
in volle ogen, niet verraden, dat
bij het minste, het water stijgt

je aait met je hand, de ander, zachter,
voordat je maag (je slikt) zich wringt,
de keel zich krampt, in hinderlaag
van ondergedoken taal, de woorden,

je houdt ze tegen, ontkleedt de klanken,
kleurt ze lichter, met wat je nog weet,
van dat wat was, onbezonnen leven,
voordat, ja voordat

pas dan, schuif je ze hoger, over tong, trillend
de lippen, zegt dan niet: ‘Zoveel verdriet.
Zoveel verdriet is niets voor jou. Jij bent de dag die verder ging,
van daar waar ik naar binnen viel, en bleef.’

maar je zegt: ‘Het zal straks beter gaan, echt.’

 

 

 

Zoiets

Als dan het stille van je blote voeten op de grond, of bijna,
onder je koude benen, zich krult om je tenen, niet bewegen,
zittend met je rechte rug naar de wereld,
en de wervels zich stapelen als een pilaar voor je smalle hals.

Waar je niet buigt, opzij,
je hoofd zo zwaar zal vallen, als,
laat je je handen naast je heupen,
leunen op het bed, zodat alles zo stil.

In het late licht door het raam,
dat aait, door los gevallen haar,
je daaronder ademt en blijft.

Zo moet pijn zijn, weggekropen,
waar je kijkt naar binnen als naar buiten
dat het zwijgt en tijd zich laat verstrijken.

 

Om half negen

In de ochtend is mijn stad een dorp,
waar we groeten als de wegen kruizen,
stappen kinderen uit te kleine huizen
tussen tassen en een gesmeerde boterham.

Fietsen vreemden van de dag,
joviaal groetend, baby’s over
en bij het cafe, rookt de schoonmaker een sigaret,
zijn werk is grotendeels verzet, zelfs nu al.

Wat verder draait een witwollige meeuw
schuin zijn kop, zwart oog omhoog,
checkt lucht en straat voor gevaar,
je weet maar nooit, graait grijpend in grauw plastic
de resten van de stad, hij pikt,
dit is zijn plek, ik weet het, ik groet zijn lef.

Auto’s hangen loom aan de randen van de kade,
de bestuurders bleven thuis, tussen wat wol
of ander leven. Het is ochtend in onze stad,
de was hangen we niet buiten,  groeten doen we
wel, als wegen kruizen.