Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.

 

 

Niet voor jou

Je lacht, schuilt achter strakke wangen, waar je
pijn verzwijgt onder de huid, zandzakken werpt
in volle ogen, niet verraden, dat
bij het minste, het water stijgt

je aait met je hand, de ander, zachter,
voordat je maag (je slikt) zich wringt,
de keel zich krampt, in hinderlaag
van ondergedoken taal, de woorden,

je houdt ze tegen, ontkleedt de klanken,
kleurt ze lichter, met wat je nog weet,
van dat wat was, onbezonnen leven,
voordat, ja voordat

pas dan, schuif je ze hoger, over tong, trillend
de lippen, zegt dan niet: ‘Zoveel verdriet.
Zoveel verdriet is niets voor jou. Jij bent de dag die verder ging,
van daar waar ik naar binnen viel, en bleef.’

maar je zegt: ‘Het zal straks beter gaan, echt.’

 

 

 

Zoiets

Als dan het stille van je blote voeten op de grond, of bijna,
onder je koude benen, zich krult om je tenen, niet bewegen,
zittend met je rechte rug naar de wereld,
en de wervels zich stapelen als een pilaar voor je smalle hals.

Waar je niet buigt, opzij,
je hoofd zo zwaar zal vallen, als,
laat je je handen naast je heupen,
leunen op het bed, zodat alles zo stil.

In het late licht door het raam,
dat aait, door los gevallen haar,
je daaronder ademt en blijft.

Zo moet pijn zijn, weggekropen,
waar je kijkt naar binnen als naar buiten
dat het zwijgt en tijd zich laat verstrijken.

 

Om half negen

In de ochtend is mijn stad een dorp,
waar we groeten als de wegen kruizen,
stappen kinderen uit te kleine huizen
tussen tassen en een gesmeerde boterham.

Fietsen vreemden van de dag,
joviaal groetend, baby’s over
en bij het cafe, rookt de schoonmaker een sigaret,
zijn werk is grotendeels verzet, zelfs nu al.

Wat verder draait een witwollige meeuw
schuin zijn kop, zwart oog omhoog,
checkt lucht en straat voor gevaar,
je weet maar nooit, graait grijpend in grauw plastic
de resten van de stad, hij pikt,
dit is zijn plek, ik weet het, ik groet zijn lef.

Auto’s hangen loom aan de randen van de kade,
de bestuurders bleven thuis, tussen wat wol
of ander leven. Het is ochtend in onze stad,
de was hangen we niet buiten,  groeten doen we
wel, als wegen kruizen.