Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.

 

 

Zet de televisie even uit, ik kan je niet verstaan

Ik zei ‘red mij’, klopte op de deuren
in met stilte drukkende straten
zelfs de luiken waren geloken
waarachter bange oren nog lagen te waken
ondanks de dichtgedraaide sloten, net op tijd, om mij
dat ik buiten stond en voelde; er gaat nu niemand komen
iedereen is er, ik hoor jullie trillen, ik wil gillen
want red mij.

Toen brak mijn hoofd en bulbte alles naar buiten
zo midden door de straten rolde de hitte
al die losse delen in de gaten als een ongemonteerde versie
van mijzelf. Chaos alom, de straat werd erdoor verslonden
tezamen met alle nutteloosheid, verzamelde beelden van teevee
de wereld waar ik niet bij was maar die kwam
werd los gebraakt van context en lag daar zichzelf te zijn.
Ik hoorde geschuifel achter de deuren. Ze kropen naar de kelders
schoven huisraad en installeerden zich voor erger
door de muren hun gefluister;
‘Red ons.’

Als levend wild het hol ingestuurd.
Woorden, beelden, van wat ik dacht te weten, zwollen
tot een crescendo, paukenslagen, onder het kabaal
recht voor me, verbrandde alles tot lava, vrat aan vorm
trok me heetgebakerd dieper, zakte ik lager tot aan oevers van de Styx.
Red mij.

Ik moest mijn zakken legen toen ze kwamen. Wie het waren?
Ze waren met velen, ogen, mensen
kropen dichter, lagen naakt, stonden rugwaarts, vaak
op afstand kijkend alsof zij meer wisten dan ik.
Een man lachte naar me. Hoe hij zo stond
met de ballonnen-machine en grote en kleine ballonnen blies.
Ze verdwenen in de lucht.
Red ons, stond op allen.

Ogen werden kassen kijkend naar de woorden in het babyblauw,
verschroeiden of dropen weg. Niet huilen.
Hier geen plaats voor tranen, hier geen plaats voor tranen.
Zo was de wereld echt.

Met mijn open gebraakte hoofd en losgevallen cellen knoopten ze driftig
nieuwe verbindingen zodat ik toch iets zou begrijpen, dacht ik.
Ik moest toch iets begrijpen. Het was te zwart, te ziek.
Een baby dreef voorbij.
De man met het opgezwollen konijnen hoofd.
Een meisje dat ondergespoten werd  door een slagroomkanon.
Overal keken de kinderen me aan met hoopvolle gezichten:
‘Red mij.’
‘Red mij.’
‘Red mij.’

‘Oh Icarus’

 

De ziekte kwam zitten als stille vogels
op het dak. We huilden noodweer
achter gesloten ramen. Oud worden,
vakanties, een nieuwe jas, ze dropen
als straaltjes over het glas, verdwenen
beneden in de rulle aarde.

Tot de tranen stopten en we zwegen.
Ons voorhoofd legden tegen de koude ruit.
Naar buiten staarden en bezweringen fluisterden
tot de nacht, met neergeslagen ogen keken
hoe ontwakend niets meer zeker was.

De onmogelijkheden geteld
plaatsten we de dagen terug, als een kleine adem
onder vogelveertjes. Het ritme kwijt
lopen we nog nauwelijks in pas. Verzinnen
schuilplekken voor een onverwachtse bui.

De avond komt toch, ook nu in deze dagen,
daar kunnen we niks meer mee
dan er niet teveel zijn. Het is wachten op licht,
zuchten en vleugels spreiden, tegen de logica in
opstijgen. Boven de stille vogels uit, de zon zoeken
in het zwart, verschroeide lucht ruiken, branden

(en toch gaan.)

 

Rustig rustig

Op de kleinere en grotere stenen lees ik
de patronen. Ik zou hier kunnen leven, keitjes
door de dagen. Een stad van verhalen zoals mijn hoofd vol
twijfelt en vogels boven de brug in de lucht struikelen.
Ik heb een sleutel en een tweeledige houten poort.

Ergens is het altijd chaos in kleine hoekjes en achter de randen
lijkt alles te stranden in wat beter kon, ik dichter bij wil
en recht leg. Ergens is het als in sporen lopen en toch
verdwalen. Vlaggetjes spannen en dat herhalen
fluisteren dat het komt, goed.

Tussen haken

In het huis voor zieken hoor ik onze stemmen
kaatsen, tegen hotel witte wanden. We proberen het;
knijpen onze ogen dicht, zijn bij zee,
in een vorig land, jij lacht, mijn zus.

We trekken de minibar open maar plunderen niets,
het loopt hier uit de hand, zusters zeilen binnen,
met handen vol aan ons, of eigenlijk jou
wat kunnen we beginnen als je steeds weer

tussen vingers door blijft glippen.
Je lacht, zus, en ziet ons al zwemmen,
daar betalen we goud voor, de sjacheraar
die ons meer biedt dan deze; doodlopende tripjes

door dalen waar de bomen ons de adem benemen maar
een bezoek aan de toppen niet in de koop is inbegrepen.
Je schuift je heup en trekt aan pijn,
we nemen de rolstoel niet mee, herinneringen
naderen het dichtst ons verlangen

daar horen rennende benen bij.
We ketsen al vlug als kogels terug
van de wanden, branden vragen af, oh zuster,
we proberen er echt niet in te blijven steken.

(dat maar niets zal breken! op dit bezoekende uur)

Ik breng mijn hand omhoog en kruis bedreven mijn vingers
een schaduwvogel op de hagelwit beschoten muur.

Ziek

Het was maandag en dag
zo was nog het feit
ik lag alleen in het bed
groot wit vlak in een verduisterde kamer
ik riep ‘red mij’ maar niemand hoorde me
het wit vloeide uit, waarin ik verhitte tot lava
en verdween, iedere minuut werd een wachten
ik stak handen uit naar koortsige passanten
maar iedereen loste op in zichzelf
en ik bleef
roepen
Red mij
Red mij

tot mijn longen pijn deden en mensen
zich over me begonnen te buigen
maar me niet meer konden vinden
ze zeiden sssst en tssst
slopen op tenen terwijl ik handen
stak door het oppervlak
wegdreef en vroeg
Red mij
Red mij

toen moest ik gaan staan
anders konden ze me niet zien
maar ik had geen benen meer
zij zeiden van wel en namen me mee
ze diagnosticeerden, infiltreerden,
mijn bloed, mijn hoofd, analyseerden me
in röntgen, brachten me terug tot
8 pillen
8 pillen

daar zag Ik de wereld vanbinnen
zo verlaten als een beschoten stad
met schutters op elke dakrand
en huilende baby’s zonder ouders
ik zag monden met tanden maar zonder woorden
ogen die verkoolden en stikten in het zwijgen
en ik, wist niets
Red mij
Red mij

weet niet of ik terug wil of eraf
lig te hopen op een besluit
en de vertaling
die maar niet komt.

 

 

Het woeste westen

Een korf met vijf kinderen zwiert door de lucht,
een nestje koekoeksjongens kwetteren, gooien
ledematen over elkaar, als mikado
zijn ze, worden kwaad als een draaiend blad

in de wind, vallen zonder zwaartekracht
in geldingsdrang. De grote jongen naast me
lacht, hij heeft ze verzameld, hier gebracht
‘zo weinig mannen in dit vak, het is een gemis’

lacht met witte tanden, trots
de woorden lichter. Hij is er tenslotte,
laat ze hun handen en benen bewegen, geeft

niet zoveel gas tegen, smeert tranen
en brandnetels weg met paarse bloemen,
kijkt of ik hem wel zie, de grote jongen,
ruwe bolster in kinderschoenen, ‘mevrouw,

het is wat de wereld zegt, we zijn met te weinig hier.’

Ik denk aan de koekoek, waar zij nu is, zo laat
ze haar jongens voeden door een stadse mus
en zal ze straks vragen hoe het met ze gaat,
‘ik laat ze wat makkelijker

huilen’ zegt hij dan waarschijnlijk enthousiast.

Zo vliegt een nest met jongetjes hier voorbij
en koekoek ik, aan mijn zij, de grote jongen.

 

 

het later ‘een weekendje weg’ noemen

De sleutel krijgen, deuren openen
naar een stille kamer. Een huis
van anderen je eigen maken. De meubels
schuiven, het bed horen, kraken, kijken
waar je licht kan laten

komen. Hoeveel passen tot
het raam. Te weinig spullen
om kwijt te raken. Schilderijtjes
die betekenisvoller zijn
dan gedacht, of onnozeler,
gehangen door handen, zorgvuldig

gekozen. Een ruimte die ik niet ken
binnenstappen en dan thuis komen
voor een paar dagen.