Wat we leerden

Vandaag stormde het. Voor het raam
zag ik het vuil uit hoeken vluchten, opgejaagd
door een onzichtbare hand, die duwde en dwong,
– een marionettenspeler – de wereld bewoog.

Ik luisterde naar de potten met planten,
de woest wakker geslagen plastic tas,
het rammelende blikje energy-drink,
tot de dakpannen en bomen braken.

Een vrouw hield kinderen op het midden van de straat
– gevaar kun je ruiken in de angst van de ander –
moeders zijn de ijsberen van de aarde.

Ze keek met mij mee omhoog,
alsof we daar een teken konden ontwaren.
Er vloog een meeuw van zijn pad af
koerste als een schip op drift,

het leek hem niet te deren, gleed zijdelings weg
nam onze ogen mee in lang
getrokken draden van wat ik dacht.

En alles bleef maar vallen;
de dagen, mijn wimpers, jouw handen, beloftes
tot niets meer over was en toch ook de wind, die ook,
ging liggen als een aaibare hond.

We hebben het daar gelaten
voor een volgende storm,
dat was wat we hadden geleerd van de vorige keer;
wat zich niet laat driften, maar valt, valt een volgende keer weer.

 

Ein neuer krieg

Ein neuer krieg

Het was zo’n dag dat het de hele dag pijpenstelen goot, zo’n dag dat niemand de straat op gaat, niet als het niet echt moet en daarom was mevrouw Witzen rustig, er zou geen bezoek komen.Niet dat ze andere dagen wel kwamen, maar vandaag kwamen ze in ieder geval niet.

Haar kleine zwarte kraalogen focusten op de druppels op het raam, hoe ze daar lagen, stil, en hoe er één langzaam zigzaggend tussen de anderen doorgleed om iets verder te verstillen. Erachter, op het door de regen glanzende zwarte asfalt van de smalle straat, lagen grote donkere plassen. Alles was donker vandaag, donker en stil. Alsof er zich een ramp had voorgedaan een derde wereldoorlog. Ein neuer krieg, dacht ze terwijl ze wat naar voren schoof in de oude groen fluwelen fauteuil, dat zou wat reuring brengen. Haar magere kleine handen met de dikke blauwe aders onder de dunne huid legde ze zonder van het raam weg te kijken op de afgesleten plekken op de hoekige armleuningen.

Aan de overkant opende het blonde meisje van nummer acht, haar deur. Mevrouw Witsen boog dichter naar het raam terwijl het meisje haar fiets naar buiten trok. Een paars geschilderde hoge herenfiets. Ze droeg een geel zwart gestreepte legging waarin haar benen nog langer leken met daaronder grote werkmanschoenen, haar blonde haren staken wild uit een hoge knot en ze had weer haast. Ze had altijd haast, zoals alleen twintigers haast kunnen hebben met die alles verslindende honger naar meer doorgehaalde nachten, meer goedkope wijn om de wereld tot stilstand te brengen, meer bewegende pulserende lichamen die in elkaar opgaan, meer woorden, discussies om duidelijk te maken wie je bent, meer nacht.

Ze trok haar voeten naar zich toe over het bruine kleed en duwde zich naar voren. Ze kon de kou van het raam op haar gezicht voelen, het kroop in de groeven die daar waren gaan liggen, het kroop tussen haar dunne lippen. Ze klopte met felle tikjes op het dunne raam. Het meisje had net haar been achterlangs over de fiets gegooid en draaide zich met haar gezicht naar haar toe. Ze was een engel zo mooi. De hoge jukbeenderen in het smalle gezicht, de lichte ogen. Ze tikte nogmaals, ze mocht niet doorrijden. Het meisje stak een hand op en glimlachte. Niets fijner dan haar glimlach, een rij witte jonge tanden.  Nu moest ze kordaat zijn anders zou ze doorrijden, dat wist ze, net als gister en eergister. Ze boog nog wat meer naar voren en draaide me een snelle beweging de zilverkleurige hendel van het grote witte raam omhoog en trok hem open. Ze stak haar dunne, met moedervlekken bedekte, arm naar buiten en wenkte het meisje. Ze was snel genoeg geweest.

‘Dag mevrouw Witzen, wat een regen hè,’ zei ze terwijl ze de capuchon van haar korte jackje over haar hoofd trok. Ze was nu dichtbij genoeg. Ze was van haar koers afgeweken. Ze was overgestoken. Kijk hoe mooi haar zachte wangen met de rode blos.

‘Ze zijn weer nicht gekomen afgelopen zondag.’
‘Weer niet? Had u ze verwacht?’
‘Je mag niets meer verwachten heden ten dage.’
‘U had zich vast verheugd?’
‘Je kunt beter even binnen komen, das ist villeicht besser, het regent zo hard.’
Fout. Ze voelde het meteen.  ‘Het spijt me Mevrouw Witzen, ik heb haast.’ Ze wachten op me. Ik moet om 11 uur op de opleiding zijn.’
Ze knikte, ‘haast, de laatste keer dat ik haast had was aan het einde van de krieg. Ze waren bang voor me geweest maar toen niet meer. Ik zag ze al van verre komen.’
‘Ik moet echt gaan Mevrouw Witzen. Ik kom binnen kort een kopje koffiedrinken, of u bij mij, oké?’

Ze wachtte het antwoord niet af en bewoog haar smalle heupen soepel naar het zadel en zette af op de trapper. Ze trok met één hand haar jasje dicht ter hoogte van haar slanke hals en bonkte de stoep al af. Ze fietste met stevige slagen de straat uit en keek nog één keer zwaaiend achterom terwijl ze behendig een oortje van haar koptelefoon in haar oor duwde.
‘Ich warte auf dich,’ prevelde ze en hoorde hoe de laatste geluiden verdwenen met het sluiten van het raam.

 

 

Houd moed

Dus zat je daar met een huis vol
mogelijk geluk. Een koffiekop
met de tekst houd moed,
de extra stofzuiger, lege fotolijsten,
de gevonden koffers in de gang

voor als, zoals ook de extra borden, bekers,
glazen. De herinneringen liggen in de lades
in stapeltjes van betere tijden.
De buurvrouw vraagt of je iets hebt
aan de restjes van haar feest, wat kaas

een stuk taart, de wijn is op, er zijn
natuurlijk weer veel gasten geweest.
Ze plaatst het vanmiddag op de trap.
Daar wacht je nu op onder de slingers
met Hiep Hiep Hoera, die je bewaarde

voor speciale momenten, als deze,
je vond ze in de la.

Wachten op een thuiskomst

laat me zijn
breekbaar samenraapsel van huid en bot
met wangen om van binnen op te bijten
ogen om achter te verdwijnen, een buik
om in te huilen en onverwachte plaatsen
om in te schuilen van schedel, schouder
en het achterste van de tong

laat me zijn
een beven zonder harnas van wimpers
en tanden, lang uitgestrekte binnenwanden,
vuurgedoopte handen, zenuwbanen
waar ieder bericht zich op lijkt te keren,
tot waar het begon

laat me
wachten op een thuiskomst,
een herhalende hartslag of andere tekens
van leven, als alles weer langer dan verwacht
ergens onderweg blijft breken

Toen ik tien was…

Vandaag zei Leloup terwijl ze het laatste stukje brood in haar mond stopte ‘ik hoop dat we niet nog meer technologie hebben als ik ouder ben. Ik vind het namelijk zo, zoals het nu is, precies goed en meer lijkt me niet fijn.’
De avond ervoor had ze een programma op televisie gekeken waarin ze het hadden gehad over mogelijke toekomstige uitvindingen.

Ik bedacht me dat wat zij nu vanzelfsprekend vindt en goed, de mobiel, het internet, social media, vloggen, Snapchat etc. zo anders was dan toen ik tien was. Ik vond de vaste telefoon, de telefooncel voor als je niet thuis was en de drie zenders op televisie, precies goed.
Uiteindelijk ben je dan kennelijk toch een kind van je tijd. Het enige wat niet verandert is de levenscirkel die zich herhaalt. Ook zij zal later, zoals ze nu al voorspelt, denken ‘toen ik tien was…’
Maar zegt dat dan eigenlijk iets over de tijd? Zegt het iets over beter of slechter? Of zegt het eigenlijk alleen maar iets over onszelf?

Lees verder Toen ik tien was…

Het zal komen

In de avond regende het
zo hard dat ik dacht:
ik moet naar buiten,
doorweekt raken, huid tot bot,

zenuwen bloot, daar zo staan
dat het druipt of liggen, languit in een plas
met mijn oren onder water. Dat kinderen
met rode, rubberen laarsjes zullen springen,

zingen, het licht, glinsterend, zal breken
ter hoogte van mijn buik. Diep duikend
druppels zich zullen rekken, in ovalen
onderwater tenoren langs mijn hoofd.

Alles zal komen zoals het valt.

 

Tegen beter weten

 

Laten wij ook met gelijke capuchons,
dicht over onze oren, de wereld gaan ontdekken.
Dan kopen we kaarten om te sturen
en andere voor de weg.

We kijken naar de niet belopen lijnen;
jij wil dan rechts en ik toch links
(het zal niet anders gaan)
ook daar zijn natuurlijk vele wegen
om ergens, wel of niet, te komen.

In navolging noemen we het ‘het heerlijke verdwalen’
en ook zullen we ons gelukkig prijzen met de nieuwe dag.

Als markeringen op de kaart
vragen we anderen ons te fotograferen
zodat we straks kunnen beweren ‘dat zijn wij
die daar zo staan.’

 

Op de schaal van Richter

Ik heb je niet gemist zoals voorheen
met water in de mond
ik draai mijn handen open, op tafel
als smal tere dieren. Hoor
hoe mijn stem maar ook het licht
scherper schijnt nu je niets zegt

Vogels zwijgen als een aardbeving komt, las ik
[horen ze het komen?]

huizen zullen vallen, meubels breken
maar ook de tijd, de tijd

Als je op staat trek ik mijn handen terug
nerven liggen bloot op het gladde blad
het licht blijft, we kijken hoe het een breuklijn
snijdt. Ik leg mijn handen om je oren
vraag of je houden van kunt horen
je zegt dat je me niet verstaat