Om tanden op te breken

Van de dagen die niet lukten
verstoppen we de sporen

de vuile was terug in de trommel
opgewaaid stof onder het kleed

jouw woorden slik ik in, kauw
de mijne in behapbare stukken

voor de kinderen om op te geven
als ze in onze wangen bijten

welke reden braken we in letters
we wilden het misschien te goed

te veel, te precies of, ook wij
bleken feilbaar, ongewild met spijt

ik pel alvast de schellen van hun ogen
leg toekomstige tranen droog

laat ze jaren liever geleden, herinneringen
zoet genoeg om tanden op te breken

Blijven

Je kunt je handen op het
water plaatsen, kijken
hoe het wijkt

Je tenen, benen steken in
de vlakte zodat het omsluit,
en kruipt

Het tot de lippen voelen
stijgen, niets meer horen,
oren vol

water en het laten dat
de vogels fluiten,
en alles buiten,

verloren gaat in
tijd en dat
het zwijgt

De kunst om toch te
blijven, of je daar
dan staat of drijft

 

 

Waar bleef het licht, het licht
Zinderend kruipend onder de gordijnen
Lichtranden van dagen
Duizelend geel gekroonde lucht
Vogels
Waar bleef het licht

Voor slechtere tijden

ik houd ze achter de hand als troef:
plaatste het zilverwit van ijs
dat ik brak, achter glas
gooide hoge ogen als rariteiten
in potjes zonder deksel
(mochten ze nog groeien)
en van de lichte dagen waar ik me in verloor
tekende ik landschappen met vergezichten
en lijstte ze in
de huid met het kippenvel zette ik op
als een uitgestorven dier
knipte ik uit bewaarde brieven
– aanraken mag –

kom ik leid je rond tot vandaag
de vraag vergeten wordt,
‘Hoe het gaat’

Wat we leerden

Vandaag stormde het. Voor het raam
zag ik het vuil uit hoeken vluchten, opgejaagd
door een onzichtbare hand, die duwde en dwong,
– een marionettenspeler – de wereld bewoog.

Ik luisterde naar de potten met planten,
de woest wakker geslagen plastic tas,
het rammelende blikje energy-drink,
tot de dakpannen en bomen braken.

Een vrouw hield kinderen op het midden van de straat
– gevaar kun je ruiken in de angst van de ander –
moeders zijn de ijsberen van de aarde.

Ze keek met mij mee omhoog,
alsof we daar een teken konden ontwaren.
Er vloog een meeuw van zijn pad af
koerste als een schip op drift,

het leek hem niet te deren, gleed zijdelings weg
nam onze ogen mee in lang
getrokken draden van wat ik dacht.

En alles bleef maar vallen;
de dagen, mijn wimpers, jouw handen, beloftes
tot niets meer over was en toch ook de wind, die ook,
ging liggen als een aaibare hond.

We hebben het daar gelaten
voor een volgende storm,
dat was wat we hadden geleerd van de vorige keer;
wat zich niet laat driften, maar valt, valt een volgende keer weer.

 

Houd moed

Dus zat je daar met een huis vol
mogelijk geluk. Een koffiekop
met de tekst houd moed,
de extra stofzuiger, lege fotolijsten,
de gevonden koffers in de gang

voor als, zoals ook de extra borden, bekers,
glazen. De herinneringen liggen in de lades
in stapeltjes van betere tijden.
De buurvrouw vraagt of je iets hebt
aan de restjes van haar feest, wat kaas

een stuk taart, de wijn is op, er zijn
natuurlijk weer veel gasten geweest.
Ze plaatst het vanmiddag op de trap.
Daar wacht je nu op onder de slingers
met Hiep Hiep Hoera, die je bewaarde

voor speciale momenten, als deze,
je vond ze in de la.

Wachten op een thuiskomst

laat me zijn
breekbaar samenraapsel van huid en bot
met wangen om van binnen op te bijten
ogen om achter te verdwijnen, een buik
om in te huilen en onverwachte plaatsen
om in te schuilen van schedel, schouder
en het achterste van de tong

laat me zijn
een beven zonder harnas van wimpers
en tanden, lang uitgestrekte binnenwanden,
vuurgedoopte handen, zenuwbanen
waar ieder bericht zich op lijkt te keren,
tot waar het begon

laat me
wachten op een thuiskomst,
een herhalende hartslag of andere tekens
van leven, als alles weer langer dan verwacht
ergens onderweg blijft breken

De geit en het paard

In de trein zie ik hoofden bewegen
als een zacht schudden. Tijd verstrijkt,
ik stel me voor hoe gedachten gewiegd kunnen worden.

Buiten staat een geit op een paard
eet de bladeren van de boom. Buiten
lijkt altijd alles logischer dan binnen.

Het zal komen

In de avond regende het
zo hard dat ik dacht:
ik moet naar buiten,
doorweekt raken, huid tot bot,

zenuwen bloot, daar zo staan
dat het druipt of liggen, languit in een plas
met mijn oren onder water. Dat kinderen
met rode, rubberen laarsjes zullen springen,

zingen, het licht, glinsterend, zal breken
ter hoogte van mijn buik. Diep duikend
druppels zich zullen rekken, in ovalen
onderwater tenoren langs mijn hoofd.

Alles zal komen zoals het valt.

 

Tegen beter weten

 

Laten wij ook met gelijke capuchons,
dicht over onze oren, de wereld gaan ontdekken.
Dan kopen we kaarten om te sturen
en andere voor de weg.

We kijken naar de niet belopen lijnen;
jij wil dan rechts en ik toch links
(het zal niet anders gaan)
ook daar zijn natuurlijk vele wegen
om ergens, wel of niet, te komen.

In navolging noemen we het ‘het heerlijke verdwalen’
en ook zullen we ons gelukkig prijzen met de nieuwe dag.

Als markeringen op de kaart
vragen we anderen ons te fotograferen
zodat we straks kunnen beweren ‘dat zijn wij
die daar zo staan.’