Het mooiste sinterklaas cadeau

Onze zoon, Bonk,  is vier als we haar halen, het cadeautje van de Sint. Een grijs bolletje wol, meer een pluizig konijntje dan een kat. Het blonde jongetje en het grijze bolletje zijn al vlug onafscheidelijk. Hij noemt haar Madelief en zeult haar overal mee naar toe en zij laat dat toe. Ze is nog zo klein dat we haar niet alleen thuis willen laten dus nemen we haar mee in de trein naar mijn ouders om daar de kerst te vieren. In de trein zit ze wollig, schattig te wezen op het tafeltje tussen de banken terwijl ze gefascineerd naar het voorbijrazende landschap kijkt. Later nemen we haar ook mee op de fiets en stoppen haar dan onder onze jas. Madelief vindt alles best. Zo moeilijk is ze niet.
Ze is nog geen half jaar, en naar ons idee nog nooit krols geweest, als ze zwanger wordt. Veels te klein, een kindje, een kind moedertje. Arme zij. Vader blijkt een stoere vent uit de tuin, ook grijs en van het kaliber Tom O’reilly uit de Aristokatten. Hij sluipt ’s nachts naar binnen en slaapt dan naast zijn zwangere vriendinnetje op de bank. Zo’n 9 weken later kruipt ze bij mij op schoot en wil er niet meer af. Ze vraagt om hulp. Ik begrijp het meteen, herinner me mijn eigen bevalling en blijf bij haar. Lichte paniek staat in haar ogen en ze blijft me aankijken vanaf mijn schoot. Ik aai haar kleine koppie en fluister geruststellend dat het goed komt. Ze vertrouwt me en ik leg haar in het kartonnen doosje met de handdoek. De eerste twee komen er goed uit, een glad zwart langwerpig dingetje met pootjes en een tweede, net zo glad maar nu grijs, bij de derde lijkt ze te moe. Met haar tengere lijfje lukt het haar niet om deze eruit te krijgen. Het 3e kindje hangt half uit haar en blijft daar hangen. Ze geeft op en gaat liggen. Ze hijgt. Het duurt te lang, ik maak me zorgen en besluit haar te helpen, trek lichtjes aan het glibberige lijfje en ook dit poeze-kindje wordt geboren. Maar het lichaampje is stil. Het beweegt niet en zij kijkt er niet naar om. Ze likt de andere twee schoon terwijl deze hoge piepgeluidjes maken. Ik wacht niet, pak een watje, maak het nat en veeg over het kopje van het stille diertje, aai vervolgens drukkend over het kleine lichaampje en het werkt. Het piept. Het ademt. En als door de bliksem getroffen draait Madelief zich om en begint ook hem te likken. Alles is goed.
Al weet ik niet of het ooit echt goed gekomen is met deze laatste. Dit jongetje, haar zoon, hij heeft nog steeds een hoog stemmetje en staat nog iedere ochtend als een kleutertje om kusjes te vragen bij zijn moeder. Beertje hebben we hem genoemd en terwijl zijn zusjes een goed huis vonden is hij gebleven. Inmiddels zijn ze 14 en 13 en half. Moeder en zoon.
Na de bevalling had Madelief het zwaar. Ze was nog maar zo klein en de drie kinderen zogen haar leeg. Als ik foto’s terug kijk van deze tijd zie ik een mager poesje met 3 donderstenen aan haar kleine voetjes. Ik herken haar uitdrukking. De trots maar ook de zwaarte van het beginnend moederschap. Ze was vaak heel erg moe en ik vertroetelde haar. We steriliseerde haar echter ook en met het vertrek van haar dochters, keerde de rust terug in huis. Madelief hield zich bezig met haar zoon, ik met de mijne en onze zoons speelden samen en groeiden samen op. Tot ik een aantal jaren later weer zwanger werd. Ze week niet van mijn zijde, leek te begrijpen wat er gebeurde en nam haar taak serieus, zij zou zorgen dat alles goed ging. Bij de bevalling zat ze op de badrand en hield alles nauwlettend in de gaten. Het ging goed en samen verzorgden we het nieuwe meisje. Als het meisje huilde kwam zij mij luid schreeuwend halen. Bij het verschonen, het badderen en het naar bed brengen, was zij er bij en hield alles nauwlettend in de gaten. En zo groeide het.
Om zeven uur, weet ze, moeten we opstaan en word ik wakker door gekrab aan de slaapkamer deur. Ik wankel slaperig uit bed om de deur voor haar te openen en zij hupt vervolgens op het bed. Snorrend geeft ze ons een klein kusje waarbij haar snorharen me zacht kriebelen. Ik aai haar nog even door haar zachte haren en duw soms mijn neus nog even in haar pluizige buik. Ze ruikt altijd zoet en wollig. Zij snort en ik word wakker. Uit bed volgt ze me naar boven naar de douche. Daar wacht ze op de wasmand tot ik klaar ben. Tussendoor kletsen we. Zij miauwend, ik in mijn taal. We begrijpen elkaar. Als ik klaar ben lopen we samen het gangetje op naar de dichte deuren van de kinderen. Zij is me altijd voor en kijkt me bevestigend aan, de kinderen moeten wakker. Ik open de deur en wek ze zacht, zij geeft ze vast wakker-word-kusjes met haar neusje. Samen gaan we dan naar beneden. Ik geef haar eten en samen begroeten we haar zoon. Als de kinderen naar school gaan staat ze bij de deur. Pas als ze weg zijn gaat ze weer haar eigen gang. Ze weet wanneer ze thuis zullen komen. Zij weet het eerder dan ik. Tot die tijd slaapt ze. Als het te lang stil is in huis wordt ze onrustig en komt al van verre schreeuwend naar beneden om te vragen of er niets aan de hand is, dan gaat ze wachten bij het raam.
S avonds nestelt ze zich bij alle kinderen op de bank, de hare en de mijne. Zij hoort bij ons, zij hoort bij mij. Samen werden we ouder, samen werden we mama. Wij weten wat hier nodig is en hoe het, het beste loopt. Madelief en ik. Ik en Madelief.

Zo bijzonder de vriendschap van een dier. Ik hoop dat ze nog lang bij ons blijft.                                    –

 

De avondboot

We zouden de avondboot niet nemen maar deden het toch. Waarom? Ja, omdat dat soms zo gaat. We waren moe, misschien daarom, of omdat het zoveel goedkoper was?
We waren in Thailand; ik, mijn vriend Rick en onze zoon Bonk van 5. Bonk had de treinreis van Bangkok naar de kust geslapen en bij de zee aangekomen bespraken we de opties; wachten tot de volgende ochtend en de snelle catamaranboot pakken of, net als de locals met de nachtboot gaan, die over een paar uurtjes vertrok?
Het werd de nachtboot.
Het was rond 22.30, het sein werd gegeven. Onze rugzakken werden door de kleine sterke mannen behendig aan boord gegooid, net als de samengepakte balen kleding, de bakken fruit en groente, de kleurige bagage van onze medereizigers. We wiebelden over de loopplank de kleine maar robuuste boot op tezamen met de locals. Alles ging snel. We manouvreerden ons tussen de vele etenswaren en andere koopwaar door naar een rustig plekje op de zijkant van de boot. We zaten perfect. Onze rugzakken naast ons. Ik plaatste mijn voeten tegen de open reling waar tussendoor ik perfect de zee kon zien en Bonk nestelde zich, al bijna slapend, tussen ons in. Wat wilde ik nog meer. Ik lachte moe maar trots op de verworven plek, naar Rick. Hij lachte terug. ‘Veel beter dan die toeristen shit, toch!’ Ik knikte. De tocht zou zo’n 6 uur duren, dus we hadden alle tijd om te genieten.
Daarna ging alles snel. De boot vertrok, de grote bak koerste richting open zee en de locals verdwenen benedendeks. ‘Zijn daar bedden denk je’ vroeg ik Rick, maar hij dacht van niet. ‘Het is beter zo. We gaan niet beneden zitten, dan zien we niets.’ zei hij ‘We zitten hier goed. Bonk kan tussen ons in slapen.’ Ik knikte. Ik ben geen held op zee en laat me graag geruststellen op zulke momenten. Achteraf had ik beter naar mijn gevoel moeten luisteren en naar benedendeks moeten gaan want wat volgde was een ware hel.
Terwijl we de haven uit voeren en de boot, rustig, snorde, viel de nacht als een deken over ons heen. Het werd donker en niet zomaar donker, het werd zwart. We zagen niets meer. De reling voelde opeens akelig dichtbij en open. Ik besefte hoe kwetsbaar we daar zaten met een kind wat nauwelijks kon zwemmen. De zee onder ons was al lang geen rustig blauw vlak meer maar was getransformeerd in een grommend zwart dier. Ik trok Bonk naar me toe en rilde. Met het invallen van de nacht werd er een hele andere zee wakker. Een zee die ik niet kende. De boot, die zo veilig had geleken, veranderde in een speelgoed boot-je. Op de open vlakte buiten de haven, zwol de wind aan en zweepte het water op. Ze begon aan een gruwelijk kat en muis spel met ons. We waren gereduceerd tot speelgoed van een wreed dier. Alsof er met ons gelummeld werd, zo gooide ze ons over. En terwijl de boot met grote klappen de golven opving, hield ik Bonk krampachtig tegen me aangedrukt. Het kleine lijfje rilde en voelde klam en koud. Het zoute water gutste met lange gladde armen over de reling en trok aan hem. En alsof het nog niet genoeg was begon het te regenen. Zwiepende striemende regen. Regen die me de laatste centimeters zicht ontnamen. Regen die me desoriënteerde, regen die al mijn woorden op at en me onverstaanbaar maakte.
Waarom gingen we niet naar benedendeks hoor ik je denken? We konden niet meer. We durfden niet meer. We hadden geen tijd om te denken. We waren aan het overleven. Het luik was ergens meters bij ons vandaan, wist ik, maar ik kon het niet meer zien. De regen en de golven hadden alles spiegelend glad gemaakt en er was geen ander mens meer op het dek, we waren alleen, overgeleverd aan iets wat zoveel sterker was dan wij. Er volgden zes tergend langzame uren waarin ik, tussen de golven door, Bonk inpakte in alles wat hem warm zou kunnenhouden. Hij viel in slaap. We bonden zo goed en zo kwaad het kon de rugzakken aan de spijlen en dekte zo de gaten af. Uren lang zag ik hem in het water verdwijnen, onder de spijlen doorschieten, meegetrokken worden door 1 van de golven. Ik kon aan niets anders denken dan aan hoe ik achter hem aan zou springen en het niet zou helpen. Hoe we, beiden, opgeslokt zouden worden door dit monster. Ik hield hem stevig vast. Hij zou me niet ontglippen. ‘Alles komt goed’ fluisterde ik, ‘alles komt goed’. Klappertandend, doorweekt en koud tot op het bot, zag ik, helse uren later, de zon opkomen en het dier zich verstoppen onder een blauw gestrekte deken. In de verte waren de contouren van het paradijs al te zien. We hadden het gered. Maar nooit, nooit meer, zal ik vergeten wat ik die nacht zag, wie er slaapt onder dat idyllische blauwe vlak.

 

Moeders

 

Moeders

Ik was 28 toen ik zwanger werd. Het ging me niet vanzelfsprekend af. Ik moest wennen aan alles. Naast dat mijn lichaam veranderde kon ik opeens niet genoeg krijgen van negerzoenen en de geur van Ajax. Daarnaast twijfelde ik aan alles. Zou ik mezelf straks nog wel zijn. Was ik lelijk nu? Zou mijn hele leven veranderen? Wat als ik het niet leuk zou vinden? Ik was een hormonale kermis.

De bevalling was thuis en begon de zaterdagochtend. Ik wist het dit keer zeker. Rick bouwde het bad op en we kochten zonnebloemen. De dag ging rustig voorbij en in de avond belden we, toch maar, de vroedvrouw, voordat het nacht zou worden. Ik zei tegen haar; ‘als dit het is, bevallen, dan valt het best mee!’. Ze lachte terwijl ze waarschuwend antwoordde ‘dat heb ik nog nooit een vrouw horen zeggen.’ Alles was goed, één centimeter ontsluiting. Ze kwam later terug zei ze, en vertrok. Toen begon het, er barstte een orkaan in me los. Ik ging van het toilet naar de badrand, naar de stoel en terug. Rick zei ‘ga het water in’ ik ging. Het water was warm en sloot zich als een geruststellende deken om mij en mijn dikke buik, heen maar ik kon alleen maar denken – dit kan ik niet, dit kan ik niet- . Ik voelde de paniek in me omhoog komen, ik kon hier niet onder uit, ik moest dit doen. Ik focuste me op het gordijn met de poppetjes, of iets dat ik op poppetjes vond lijken, dit werd mijn redding. Ik voelde de paniek weggelijden. Vanaf dat moment had ik een houvast. De uren erna regen zich aan elkaar. Tegen de ochtend belde Rick de vroedvrouw weer. Ze kwam, Betty. Betty was stevig met grote borsten. Ze kwam binnen, snoof de lucht op en zei ‘dat gaat goed.’ Na een check bij mij en de conclusie dat het goed op weg was, ging ze een kopje thee drinken met Rick in de keuken.

Ik dreef in mijn eigen wereld, mijn oren onder water, was stoned van alle endorfines die los waren gekomen in mijn lichaam en die zich dus duidelijk. Ik mediteerde bij iedere pijn-golf op de poppetjes in het gordijn, raakte ieder bewustzijn van tijd kwijt en was nergens anders dan in deze enorme natuurkracht.

Ze kwam terug uit de keuken en zei ‘het laatste stukje’. Ze stond aan de rand van het bad en op haar zwarte shirt met korte mouwen las ik – Party City Amsterdam-. Ze maakte een opstropend gebaar over haar armen alsof het shirt lange mouwen had en plaatste een spiegel in het bad. Zo zag ik Bonk geboren worden. Nog onder het oppervlak keek hij de wereld in en draaide zich omhoog. Terwijl Rick, die inmiddels achter me in het bad zat, hem opving, herkende ik iedere beweging van zijn lichaam, niet vanuit een eerder zien maar vanuit een voelen. Zijn ogen waren wijd open, hij keek ons aan en ik wist dat ik deze jongen altijd al had gekend.

Vanaf dat moment was alles anders. Ik was verandert. Als ik door de stad liep keek ik naar de andere moeders en realiseerde me dat zij allemaal hetzelfde hadden meegemaakt. Ik voelde me verbonden, was trots op al die vrouwen. We deelden een geheim wat niet uit te leggen was, alleen aan elkaar. In het park keek ik naar een moeder met een baby op een kleedje en herkende haar houding. Zoals ze daar zat met haar rug recht, het kindje voor haar, een leeuwin. Ik zag de blik in de ogen van vrouwen achter kinderwagens. De vrouwen met babytjes in draagzakken. De moeders later op school of in de speeltuin. En met een knikje van herkenning en een klein glimlachje groeten we elkaar. Wij waren moeders.

Een paar weken na de geboorte van Bonk, bedacht ik me hoe nonchalant ik was omgegaan met de geboorte van de kinderen van mijn oudste zus. Het was toen nauwelijks bij me binnen gekomen. Ik was plichtsgetrouw op kraamvisite gegaan. Had ongetwijfeld ge-oht en aht maar had niet begrepen wat ik nu wist. Een gevoel van schaamte bekroop me.

Ik belde haar op. Ze nam op en als vanzelf ontspon zich een gesprek over onze kinderen, over moeder zijn. Toen we een tijdje hadden gepraat vertelde ik haar mijn schaamte en zei dat het me speet, dat ik niet had beseft hoe groot, hoe intens, dat ik haar toen niet had begrepen. Dat ik me nu pas realiseerde wat het betekende, moeder zijn.

Ze luisterde en lachte, ‘zusje’ zei ze, ‘dat geeft niks, dat geeft helemaal niks, het is toch logisch, je hebt nu eenmaal moeders en niet moeders en dat zijn twee verschillende werelden’.

Ik knikte aan de andere kant van de lijn. ‘Ja’ zei ik, dat klopt.