Het vertrek

Ik wil niet dat je gaat. Sla mijn lichaam
om de deur en steek mijn vingers in de sloten.
Kruip tussen tocht

en raam maar hoe ik ook lig of draai, je moet.
Een open deur. Daar waaien klaprozen,
tikt een specht, pakt ook de buurman

zijn fiets. Ik zeg niets,
een vergezicht bij iedere hoek,
behalve dat het ook nog regent.

Ten overvloede

de lente steekt haar prille geuren als meisjesborsten in de lucht
reisleiders staan klaar met bordjes voor hen die willen volgen

maar de stad sloft haar versleten schoenen
trilt als een koude hond buiten de deur van het café
in haar schoot wassen negen duiven zich grijzer
scheppen brede mannen blauwig de winter uit haar aderen
bungelen verdronken fietsen als geruimde herten aan hun haak
slachtoffers van de overbevolkte contouren, haar overdaad

laat je schoenen heel, ontwijk elk bord, pak je fiets
– voor het te laat is – volg niemand anders
dan de wolkenwangen van de zon en ga
voor ze de hekken sluiten, de honger achterna, kom

Voor als je me mist

Ik trek mijn wolfskleren aan en nestel me
op dit onmogelijke uur tussen de dieren
op de bank. Zij slapen nog dus drink ik
heet water en wacht. Straks vertrekken we
ik weet het, ik voel het in mijn benen.
Het dak op.
Daar is iedereen. Zusjes, dieren mijn kinderen
volgen elkaar op de voet. We huilen
naar de maan. De nacht zal rond zijn, blauw en goed.

Nu het warmer wordt

We zouden vogels kunnen zijn, balancerende
vleugelharten in de wind. Ik in jouw kielzog

of jij onder mij in lieglijn koersend op warmte.
We zouden golven kunnen zijn. Jij de zevende

huizenhoog. Ik de vele kleine. Het witte schuim
slaand uit onze dijen, zoute lichamen

in valversnellingen brekend op de kust.
We zouden de ander kunnen zijn. Mijn huid als jas

over de jouwe. Schreeuwend uit onze mond
een verwisselbare ik. Zoveel dragelijker dan

in de luwte van de formatie of de wederkerigheid
van het getij zouden ik en jij, zwevend

op thermiekbellen in de vlucht, schuimkoppig
in de windgolven van de zeegang, meer zijn
dan de uitkomst van het golfgetal.

 

Om tanden op te breken

Van de dagen die niet lukten
verstoppen we de sporen

de vuile was terug in de trommel
opgewaaid stof onder het kleed

jouw woorden slik ik in, kauw
de mijne in behapbare stukken

voor de kinderen om op te geven
als ze in onze wangen bijten

welke reden braken we in letters
we wilden het misschien te goed

te veel, te precies of, ook wij
bleken feilbaar, ongewild met spijt

ik pel alvast de schellen van hun ogen
leg toekomstige tranen droog

laat ze jaren liever geleden, herinneringen
zoet genoeg om tanden op te breken

Blijven

Je kunt je handen op het
water plaatsen, kijken
hoe het wijkt

Je tenen, benen steken in
de vlakte zodat het omsluit,
en kruipt

Het tot de lippen voelen
stijgen, niets meer horen,
oren vol

water en het laten dat
de vogels fluiten,
en alles buiten,

verloren gaat in
tijd en dat
het zwijgt

De kunst om toch te
blijven, of je daar
dan staat of drijft