Voor als je me mist

Ik trek mijn wolfskleren aan en nestel me
op dit onmogelijke uur tussen de dieren
op de bank. Zij slapen nog dus drink ik
heet water en wacht. Straks vertrekken we
ik weet het, ik voel het in mijn benen.
Het dak op.
Daar is iedereen. Zusjes, dieren mijn kinderen
volgen elkaar op de voet. We huilen
naar de maan. De nacht zal rond zijn, blauw en goed.

Nu het warmer wordt

We zouden vogels kunnen zijn, balancerende
vleugelharten in de wind. Ik in jouw kielzog

of jij onder mij in lieglijn koersend op warmte.
We zouden golven kunnen zijn. Jij de zevende

huizenhoog. Ik de vele kleine. Het witte schuim
slaand uit onze dijen, zoute lichamen

in valversnellingen brekend op de kust.
We zouden de ander kunnen zijn. Mijn huid als jas

over de jouwe. Schreeuwend uit onze mond
een verwisselbare ik. Zoveel dragelijker dan

in de luwte van de formatie of de wederkerigheid
van het getij zouden ik en jij, zwevend

op thermiekbellen in de vlucht, schuimkoppig
in de windgolven van de zeegang, meer zijn
dan de uitkomst van het golfgetal.

 

Om tanden op te breken

Van de dagen die niet lukten
verstoppen we de sporen

de vuile was terug in de trommel
opgewaaid stof onder het kleed

jouw woorden slik ik in, kauw
de mijne in behapbare stukken

voor de kinderen om op te geven
als ze in onze wangen bijten

welke reden braken we in letters
we wilden het misschien te goed

te veel, te precies of, ook wij
bleken feilbaar, ongewild met spijt

ik pel alvast de schellen van hun ogen
leg toekomstige tranen droog

laat ze jaren liever geleden, herinneringen
zoet genoeg om tanden op te breken

Blijven

Je kunt je handen op het
water plaatsen, kijken
hoe het wijkt

Je tenen, benen steken in
de vlakte zodat het omsluit,
en kruipt

Het tot de lippen voelen
stijgen, niets meer horen,
oren vol

water en het laten dat
de vogels fluiten,
en alles buiten,

verloren gaat in
tijd en dat
het zwijgt

De kunst om toch te
blijven, of je daar
dan staat of drijft

 

 

Voor slechtere tijden

ik houd ze achter de hand als troef:
plaatste het zilverwit van ijs
dat ik brak, achter glas
gooide hoge ogen als rariteiten
in potjes zonder deksel
(mochten ze nog groeien)
en van de lichte dagen waar ik me in verloor
tekende ik landschappen met vergezichten
en lijstte ze in
de huid met het kippenvel zette ik op
als een uitgestorven dier
knipte ik uit bewaarde brieven
– aanraken mag –

kom ik leid je rond tot vandaag
de vraag vergeten wordt,
‘Hoe het gaat’

Wat we leerden

Vandaag stormde het. Voor het raam
zag ik het vuil uit hoeken vluchten, opgejaagd
door een onzichtbare hand, die duwde en dwong,
– een marionettenspeler – de wereld bewoog.

Ik luisterde naar de potten met planten,
de woest wakker geslagen plastic tas,
het rammelende blikje energy-drink,
tot de dakpannen en bomen braken.

Een vrouw hield kinderen op het midden van de straat
– gevaar kun je ruiken in de angst van de ander –
moeders zijn de ijsberen van de aarde.

Ze keek met mij mee omhoog,
alsof we daar een teken konden ontwaren.
Er vloog een meeuw van zijn pad af
koerste als een schip op drift,

het leek hem niet te deren, gleed zijdelings weg
nam onze ogen mee in lang
getrokken draden van wat ik dacht.

En alles bleef maar vallen;
de dagen, mijn wimpers, jouw handen, beloftes
tot niets meer over was en toch ook de wind, die ook,
ging liggen als een aaibare hond.

We hebben het daar gelaten
voor een volgende storm,
dat was wat we hadden geleerd van de vorige keer;
wat zich niet laat driften, maar valt, valt een volgende keer weer.