Wit

Ik ben de witte koe met haar poten in de wei
de ronding van het blad dat zich draait
op de wind, de wind zing ik waaiend
net als de hymne

alles in mij keert zich wit, mijn hart
lege kamers witgekalkt, de binnenkant
van mijn hoofd

zo de bessen aan de struik, de vogel
die hen eet, de dagen achter de hand
de vragen, het luisteren op een oor

ik ben de druppels in de plas, de regen
voor de deur, de dichtheid van het glas
gedempte geluiden

in de sleur van iedere dag, zo ben ik, zal ik
zijn, niets meer dan wit
in wie ik was

 

 

 

 

 

Immuniseren

                                      

Mijn dochter had afgelopen donderdagmiddag een wiskundeproefwerk. Dit stond netjes vermeld in de digitale studieplanner, net als al het andere huiswerk, de studiewijzer, de uitgewerkte leerlijn en de digitale leermiddelen, plus sites etc.
In de avond kwamen, via de klasgenoten in de groepsapp, de eerste cijfers binnengerold. (De leerlingen, en ook de ouders, krijgen tegenwoordig bij ieder nieuw cijfer een pop-up op hun telefoonscherm. Wat vervolgens door de leerlingen gedeeld wordt, logisch, in de groepsapp.)
Vandaag, zondagochtend, kreeg ook mijn dochter een nieuw cijfer. Vol enthousiasme vertelde ze ons het resultaat, wat we, als we iets eerder op ons scherm hadden gekeken ook zelf hadden kunnen zien.
Naast haar stond haar vriendin, die net nog vrolijk door het huis danste, iets minder gelukkig te wezen. Haar cijfer viel tegen. Vervelend zo op de zondagochtend.
Ook mijn zoon van negentien kan dag en nacht digitaal zijn vorderingen op de Uva volgen en krijgt in de avond en op zondagen berichten en cijfers binnen.

Geweldig allemaal, toch?

Niet veel later zie ik het bericht over de griepprik (weer) voorbij komen. We kunnen docenten zo slecht missen in deze tijden van tekorten op de arbeidsmarkt dat we ze zelfs willen immuniseren tegen mogelijk uitval.

Ik denk aan de cijfers die in avonden en op zondagochtenden binnenstromen. Alleen al voor mijn kinderen zijn een aantal docenten in de avond en in het weekend aan het werk. Het nakijkwerk en de voorbereidingen voor de lessen, net als de digitale uitwerking van al deze facetten, gebeurt thuis. Uit ervaring weet ik dat dit voor docenten vanzelfsprekend erbij hoort. Wanneer moet je dit anders doen?

Wanneer worden mensen ook alweer bevattelijk voor ziekten? Bij te weinig rust?

En dan onze kinderen; is het gezond om in de avond en in het weekend updates te krijgen over je cijfers, nieuwe opdrachten, assignements en inleverdata? Legt dit niet een doorlopende druk op hen? Een doorlopend gevoel van niet ‘vrij’ zijn. Is het niet noodzakelijk voor ieder mens om even geen verantwoording, geen verplichting te hebben. De broodnodige rust te krijgen in onze hectische, prestatiegerichte maatschappij. De tijd krijgen om tot rust te komen, weerstand tegen ziekten te behouden, plezier te houden in de dag, niet op te branden.

Wat is de oplossing?
Nee, de telefoon de deur uit ligt niet meer binnen de mogelijkheden. Deze is tenslotte een maatschappelijk gemeengoed geworden. De berichten uitzetten. Ja, kan. Dan moet de appgroep ook uit, dat dan wel.
Leraren alleen tijdens schooluren laten werken en invullen? Cijfers in de klas teruggeven?

Oh wacht, ik heb wel een idee:
We kunnen de leerlingen ook een griepprik geven!

Weet iemand of je ook kunt immuniseren tegen een burn-out, depressie of de gevolgen van stress?
‘Wat zegt u? Oh daarvoor heb je geen vaccin nodig maar rust! ‘
Simpel toch!?

Valversnelling

Je hebt je kinderlichaam teruggevraagd
smalle armen, benen, zelfs het korte haar
zo op je zij een meisje

je bent weer passend gemaakt
dat duurde even, een ziel sublimeren
ik weet ook niet hoe dat dan gaat

met al dat verzamelde leven
hoe dan ook toen het klaar was
was het lichaam leeg

we hebben je daarna nog wel gezocht
vouwden je open, aaiden je wangen
handen, benen, we zijn blijven wachten

op het kraken van de trap, het kloppen
op de deur maar we hebben niets gehoord
zo stil als het huis groeide

in de hoop, paste uiteindelijk niets
we hebben de ramen geopend
en met de lucht die binnenstroomde

vielen de wanden uit hun voegen
een zootje, zoveel puin
alles bleef maar vallen

het meisje op de fiets, de was
jouw achtergebleven jas, de regen
zo ging het los

niets leek nog licht genoeg
om te dragen, vallend
de sleutels uit de handen

wimpers, jouw lach, de muziek
uit woorden, kleren, handen,
de nacht, mijn haren

uit de staart, borsten en alle dromen
er bleef niets over

 

 

Zo de dagen

Nu je bent gegaan heb ik de deur gesloten
en ben gaan zitten, dat moest wel

voorzichtig langs de scherpe randen ademend
ben ik tegen de ochtend opgestaan

heb de lakens gladgestreken, de vuile was gedaan
bloemen gezaaid in de pannen, de lege borden
je lege mok

ik heb zelfs de buren nagezwaaid
toen ze langs de ramen reden
niet te lang maar nonchalant

ik hoef geen koffie
wil geen bezoek om aan te schuiven

ik moet ruimte houden voor als jij je bedenkt
dat gebeurt wel vaker zeggen ze
en dat ik er dan ben

 

 

Het vertrek

Ik wil niet dat je gaat. Sla mijn lichaam
om de deur en steek mijn vingers in de sloten.
Kruip tussen tocht

en raam maar hoe ik ook lig of draai, je moet.
Een open deur. Daar waaien klaprozen,
tikt een specht, pakt ook de buurman

zijn fiets. Ik zeg niets,
een vergezicht bij iedere hoek,
behalve dat het ook nog regent.

Ten overvloede

de lente steekt haar prille geuren als meisjesborsten in de lucht
reisleiders staan klaar met bordjes voor hen die willen volgen

maar de stad sloft haar versleten schoenen
trilt als een koude hond buiten de deur van het café
in haar schoot wassen negen duiven zich grijzer
scheppen brede mannen blauwig de winter uit haar aderen
bungelen verdronken fietsen als geruimde herten aan hun haak
slachtoffers van de overbevolkte contouren, haar overdaad

laat je schoenen heel, ontwijk elk bord, pak je fiets
– voor het te laat is – volg niemand anders
dan de wolkenwangen van de zon en ga
voor ze de hekken sluiten, de honger achterna, kom

Voor als je me mist

Ik trek mijn wolfskleren aan en nestel me
op dit onmogelijke uur tussen de dieren
op de bank. Zij slapen nog dus drink ik
heet water en wacht. Straks vertrekken we
ik weet het, ik voel het in mijn benen.
Het dak op.
Daar is iedereen. Zusjes, dieren mijn kinderen
volgen elkaar op de voet. We huilen
naar de maan. De nacht zal rond zijn, blauw en goed.

Nu het warmer wordt

We zouden vogels kunnen zijn, balancerende
vleugelharten in de wind. Ik in jouw kielzog

of jij onder mij in lieglijn koersend op warmte.
We zouden golven kunnen zijn. Jij de zevende

huizenhoog. Ik de vele kleine. Het witte schuim
slaand uit onze dijen, zoute lichamen

in valversnellingen brekend op de kust.
We zouden de ander kunnen zijn. Mijn huid als jas

over de jouwe. Schreeuwend uit onze mond
een verwisselbare ik. Zoveel dragelijker dan

in de luwte van de formatie of de wederkerigheid
van het getij zouden ik en jij, zwevend

op thermiekbellen in de vlucht, schuimkoppig
in de windgolven van de zeegang, meer zijn
dan de uitkomst van het golfgetal.