Ontsnappen II

Ze zegt  ‘wat wil je eten?’ De essentie
van leven, voeden, geven. Ik weet het niet

hoe te blijven bestaan. Bruin brood en water?
We spelen zusjes, ik bouw een vlot. Jij bent

niet meer de oudste. Alles is nu anders.
Je zegt ‘stop’ als we afdrijven. ‘Stop!’

Maar het helpt niet. We zijn op drift geraakt.
‘Het maakt me niet uit’ zeg ik ‘wat we eten.’

 

Stille vogels

 

De ziekte kwam zitten als stille vogels
op het dak. We huilden noodweer
achter gesloten ramen. Oud worden,
vakanties, een nieuwe jas, ze dropen
als straaltjes over het glas, verdwenen
beneden in de rulle aarde.

Tot de tranen stopten en we zwegen.
Ons voorhoofd legden tegen de koude ruit.
Naar buiten staarden en bezweringen fluisterden
tot de nacht, met neergeslagen ogen keken
hoe ontwakend niets meer zeker was.

De onmogelijkheden geteld
plaatsten we de dagen terug, als een kleine adem
onder vogelveertjes. Het ritme kwijt
lopen we nog nauwelijks in pas. Verzinnen
schuilplekken voor een onverwachtse bui.

De avond komt toch, ook nu in deze dagen,
daar kunnen we niks meer mee
dan er niet teveel zijn. Het is wachten op licht,
zuchten en vleugels spreiden, tegen de logica in
opstijgen. Boven de stille vogels uit, de zon zoeken
in het zwart, verschroeide lucht ruiken, branden

(en toch gaan.)

 

Tussen haken

In het huis voor zieken hoor ik onze stemmen
kaatsen, tegen hotel witte wanden. We proberen het;
knijpen onze ogen dicht, zijn bij zee,
in een vorig land, jij lacht, mijn zus.

We trekken de minibar open maar plunderen niets,
het loopt hier uit de hand, zusters zeilen binnen,
met handen vol aan ons, of eigenlijk jou
wat kunnen we beginnen als je steeds weer

tussen vingers door blijft glippen.
Je lacht, zus, en ziet ons al zwemmen,
daar betalen we goud voor, de sjacheraar
die ons meer biedt dan deze; doodlopende tripjes

door dalen waar de bomen ons de adem benemen maar
een bezoek aan de toppen niet in de koop is inbegrepen.
Je schuift je heup en trekt aan pijn,
we nemen de rolstoel niet mee, herinneringen
naderen het dichtst ons verlangen

daar horen rennende benen bij.
We ketsen al vlug als kogels terug
van de wanden, branden vragen af, oh zuster,
we proberen er echt niet in te blijven steken.

(dat maar niets zal breken! op dit bezoekende uur)

Ik breng mijn hand omhoog en kruis bedreven mijn vingers
een schaduwvogel op de hagelwit beschoten muur.