Van wat ik achterliet

In dat huis met warme muren
staat een breed bed met witte lakens
een sinaasappelpers en sinaasappels, broodrooster
besteklade vol en pannen, mand vol mandarijnen
brood van vandaag, dadels en rozijnen
een grote bank daarnaast een tafel
voor bijvoorbeeld thee of nootjes
bij de teevee en films om uit te kiezen
kussens om in te vallen en boeken
foto’s in de mappen, een sjaal gekregen
het suikerpotje van oma, die er niet meer is
de kerfjes in het hout waar de kinderen groeiden
de wasmachine en haar geluid, schoenen
meerdere paren.

Toen pakte ik de tas en koos waar we op zouden leven
de pinpas, de paspoorten, de telefoon, een mes,
één foto.

Niet alles
dat was te zwaar.

De last van moeten kiezen en verliezen
dat nu alles mist als gaten in de dag
nooit meer zullen zijn zoals we waren.

De bank voor de rust in de dagen.
De kussens voor een zwaar hoofd.
De stilte in de avond,
het zoeken naar kerfjes in het blanke hout.

Daar zit je dan, te gast, zonder dat je naar huis kunt.

Wat neem je mee als je vlucht? Geld, belangrijke papieren, je telefoon, eten? Niet veel in elk geval.
Ik probeer me vaak voor te stellen hoe dat moet voelen, hoe het is om te moeten vertrekken. Ergens besluit je te gaan, dat je niet anders kunt en dat je moet gaan. En dan ga je.

Maanden later kom je aan, in een vreemd land, met je zomerschoenen en zomerjas, nog geen bed voor de nacht, nog geen eten.
Met een hoop mazzel, waar je waarschijnlijk dankbaar voor bent tot in je tenen, heb je de reis overleeft en ben je aangekomen in Nederland. Je vindt een opvang en je durft, misschien, voor het eerst te huilen, even los te laten. Je bent veilig. Je mag zelfs mee met de aardige dame die je naar de verzamelplaats brengt, of het winkeltje zoals de anderen het noemen. Daar liggen spullen, spullen die mensen, die iets konden missen, daar brachten voor mensen zoals jij, mensen zonder iets. Je krijgt een jas en mag ondergoed, een shirt en een broek uitzoeken. Iets later kun je douchen en krijg je eten. Je lacht zelfs even, misschien.
Het zal nu allemaal beter gaan. Je denkt aan je familie. Binnenkort zal je ze weer zien. Morgen ga je vragen of ze kunnen achterhalen hoe het met ze gaat, waar ze zijn. Morgen, maar eerst moet je slapen. Zo moe ben je.
Maar de volgende dag is er niemand die een antwoord weet en de dag erna ook niet.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niets meer te hebben, alleen dat wat je krijgt. Om zoveel te moeten missen dat je hart voortdurend huilt, om nog wat later een groot pijnlijk gat te worden zonder einde of begin waar je om heen gaat lopen, of van weg gaat lopen. Waar beelden in zitten van spelende kinderen, eerste liefdes, bloesem in de lente, de geboorte van je zoon, je lachende moeder maar ook andere beelden, lichtflitsen in de lucht, instortende huizen, je huilende vader. Zoiets denk ik dat, misschien, gebeurt.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om je dagen te vullen met pogingen tot hoop. Om afhankelijk te zijn, afhankelijk zoals een huisdier van zijn eigenaar. Om niet verder te kunnen gaan met leven omdat je geen bouwstenen meer hebt, geen familie, geen bezit, geen werk, geen geld zelfs geen vrijheid.
En dat het dan winter  wordt, zoals nu. Je bent hier al lang. Je telt de dagen maar bij de administratie weten ze het preciezer.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, als je ergens bent waar je niet kunt zijn. Als je plek er niet meer is en er ergens anders, hier, ook geen plek meer voor je is en dat je dat begrijpt. Dat je begrijpt dat je te gast bent en dat je normaal gesproken beleefd op huis aan zou gaan als je merkt dat je aanwezigheid wel genoeg is geweest. Alleen kun je niet naar huis.
Hier thuis, in dit warme huis vol herinneringen, foto’s, tekeningen, sporen van een fijn verleden en daarnaast een zacht warm bed, kasten vol eten, twee snorrende katten en mijn goed doorvoede gezonde kinderen en mijn lief, probeer ik me dat voor te stellen.

Hoe het is als je niet naar huis kunt, dat er geen thuis meer is, dat alles weg is. Je niets liever zou doen dan naar huis gaan omdat alles alleen nog maar missen is geworden en een volgende dag, die komt, steeds weer.

 

Prooi

Hij zit naast me aan de andere zijde
kijkt als een hert door de coupe
gekneusde papieren in zijn lange handen
die nergens lang blijven
ze strijken langs de randen
volgen trillend de lijnen van zijn mond
wrijven knieën
omvatten zijn hals
pakken wat valt weer van de grond

Ter Apel in Arabische tekens
magische vormen als tussenstations
voor deze reis

grote bruine ogen kruisen mijn blik
ik mompel
‘pas op voor de jagers’
hij hoort me niet maar slikt
‘Is this the right way, is this oké’
ik knik
maar denk
nee
wat weet ik tenslotte van dit soort vragen
ik leef niet in het wild