Het vertrek

Ik wil niet dat je gaat. Sla mijn lichaam
om de deur en steek mijn vingers in de sloten.
Kruip tussen tocht

en raam maar hoe ik ook lig of draai, je moet.
Een open deur. Daar waaien klaprozen,
tikt een specht, pakt ook de buurman

zijn fiets. Ik zeg niets,
een vergezicht bij iedere hoek,
behalve dat het ook nog regent.