Tussen haken

In het huis voor zieken hoor ik onze stemmen
kaatsen, tegen hotel witte wanden. We proberen het;
knijpen onze ogen dicht, zijn bij zee,
in een vorig land, jij lacht, mijn zus.

We trekken de minibar open maar plunderen niets,
het loopt hier uit de hand, zusters zeilen binnen,
met handen vol aan ons, of eigenlijk jou
wat kunnen we beginnen als je steeds weer

tussen vingers door blijft glippen.
Je lacht, zus, en ziet ons al zwemmen,
daar betalen we goud voor, de sjacheraar
die ons meer biedt dan deze; doodlopende tripjes

door dalen waar de bomen ons de adem benemen maar
een bezoek aan de toppen niet in de koop is inbegrepen.
Je schuift je heup en trekt aan pijn,
we nemen de rolstoel niet mee, herinneringen
naderen het dichtst ons verlangen

daar horen rennende benen bij.
We ketsen al vlug als kogels terug
van de wanden, branden vragen af, oh zuster,
we proberen er echt niet in te blijven steken.

(dat maar niets zal breken! op dit bezoekende uur)

Ik breng mijn hand omhoog en kruis bedreven mijn vingers
een schaduwvogel op de hagelwit beschoten muur.

Wolkenjacht

[Voor Tessa]

Vandaag vertrokken we

weer
op wolkenjacht
donker gepakt boven onze armen
die
om hart
om haar
een schild
voor foute woorden
welke we geen oren wilden geven
niet te vertrouwen
de inhoud die we ervan bezworen
gekruiste vingers
zonder resultaat

Het is er

weer
nu
ons bataljon
van moedige krijgers
noodgedwongen paraat
met stok en zwaard met nieuwe moed
want
Wij zijn niet bang
Wij zijn niet bang
Wij zijn niet bang
samen worden wij

de wind
de storm
die jouw luchten schoont
en klaart
Wij zijn niet bang
Wij zijn niet bang