Ten overvloede

de lente steekt haar prille geuren als meisjesborsten in de lucht
reisleiders staan klaar met bordjes voor hen die willen volgen

maar de stad sloft haar versleten schoenen
trilt als een koude hond buiten de deur van het café
in haar schoot wassen negen duiven zich grijzer
scheppen brede mannen blauwig de winter uit haar aderen
bungelen verdronken fietsen als geruimde herten aan hun haak
slachtoffers van de overbevolkte contouren, haar overdaad

laat je schoenen heel, ontwijk elk bord, pak je fiets
– voor het te laat is – volg niemand anders
dan de wolkenwangen van de zon en ga
voor ze de hekken sluiten, de honger achterna, kom

Om half negen

In de ochtend is mijn stad een dorp,
waar we groeten als de wegen kruizen,
stappen kinderen uit te kleine huizen
tussen tassen en een gesmeerde boterham.

Fietsen vreemden van de dag,
joviaal groetend, baby’s over
en bij het cafe, rookt de schoonmaker een sigaret,
zijn werk is grotendeels verzet, zelfs nu al.

Wat verder draait een witwollige meeuw
schuin zijn kop, zwart oog omhoog,
checkt lucht en straat voor gevaar,
je weet maar nooit, graait grijpend in grauw plastic
de resten van de stad, hij pikt,
dit is zijn plek, ik weet het, ik groet zijn lef.

Auto’s hangen loom aan de randen van de kade,
de bestuurders bleven thuis, tussen wat wol
of ander leven. Het is ochtend in onze stad,
de was hangen we niet buiten,  groeten doen we
wel, als wegen kruizen.