Voor slechtere tijden

ik houd ze achter de hand als troef:
plaatste het zilverwit van ijs
dat ik brak, achter glas
gooide hoge ogen als rariteiten
in potjes zonder deksel
(mochten ze nog groeien)
en van de lichte dagen waar ik me in verloor
tekende ik landschappen met vergezichten
en lijstte ze in
de huid met het kippenvel zette ik op
als een uitgestorven dier
knipte ik uit bewaarde brieven
– aanraken mag –

kom ik leid je rond tot vandaag
de vraag vergeten wordt,
‘Hoe het gaat’