Op de schaal van Richter

Ik heb je niet gemist zoals voorheen
met water in de mond
ik draai mijn handen open, op tafel
als smal tere dieren. Hoor
hoe mijn stem maar ook het licht
scherper schijnt nu je niets zegt

Vogels zwijgen als een aardbeving komt, las ik
[horen ze het komen?]

huizen zullen vallen, meubels breken
maar ook de tijd, de tijd

Als je op staat trek ik mijn handen terug
nerven liggen bloot op het gladde blad
het licht blijft, we kijken hoe het een breuklijn
snijdt. Ik leg mijn handen om je oren
vraag of je houden van kunt horen
je zegt dat je me niet verstaat

 

Van wat ik achterliet

In dat huis met warme muren
staat een breed bed met witte lakens
een sinaasappelpers en sinaasappels, broodrooster
besteklade vol en pannen, mand vol mandarijnen
brood van vandaag, dadels en rozijnen
een grote bank daarnaast een tafel
voor bijvoorbeeld thee of nootjes
bij de teevee en films om uit te kiezen
kussens om in te vallen en boeken
foto’s in de mappen, een sjaal gekregen
het suikerpotje van oma, die er niet meer is
de kerfjes in het hout waar de kinderen groeiden
de wasmachine en haar geluid, schoenen
meerdere paren.

Toen pakte ik de tas en koos waar we op zouden leven
de pinpas, de paspoorten, de telefoon, een mes,
één foto.

Niet alles
dat was te zwaar.

De last van moeten kiezen en verliezen
dat nu alles mist als gaten in de dag
nooit meer zullen zijn zoals we waren.

De bank voor de rust in de dagen.
De kussens voor een zwaar hoofd.
De stilte in de avond,
het zoeken naar kerfjes in het blanke hout.