Kind

Je  bent een beweging, draait van binnen
een lang been en legt je hand tegen een oor.
Misschien droom je mij, in het daveren
van mijn hart terwijl ik lucht voor je verzamel.

Dat ik jou kneedde, tot in detail en we smal verbonden waren
Daarna duwde je je los of ik jou. Voor iedereen zichtbaar werden we
twee. Keek ik mij aan door jou en knipten anderen ons door
nog voor je huilde.

Nu bepaal jij mij terwijl ik wacht
op veilig thuis, hoor jouw geluiden
op de trap, houd ons hoog in jouw val
sync hartslagen door de dagen,

wat mij was, daar sta jij, wat steeds meer van jou werd.
Waar eerder ik was, toen wij, werd jij, jij.
En dat, dat veranderde alles. Tot in detail.

Don Quichote

Ik ben niet zoals jij. Jij roeper
van vuur. Met tot de tanden je wapens.
Je zwaait vleugels, als glazen, kapot op de vloer.
Draait geen handen om voor strijd. Krijgt voedsel uit alles
in verzet. Jij jager, jij hakker, jij boer
zonder veld. Jij bent als verloren
zonder zaden en boog.
Het ontglipt je de dagen. De noodzaak voor brood.
Dus bestrijd je de wind,
molens op je weg.
Pas als in wolven gehuil ik roep
om al wat gaat breken,
wanneer de dieren zijn gedood en de akkers verwoest,
zaai je nieuwe zaden in mijn hoop
op betere dagen.