Rorschach

In de vroege ochtend als alles nog schemert
en niemand zich nog waagt aan het ruime sop,
ligt de straat er verscheurd bij,
haar stenen blakerden zwart onder het kruit, een zwarte inktvlek
om in te verdwalen, Rorschach.

De resten papier kleuren rood, geel en groen,
als confetti; iemand sloeg een pinata stuk
op de weg, strooide lege champagne flessen als markeringen,
iemand verloor een oog of misschien wel drie
maar wie maalt daarom in het land der blinden.

De stad slaapt haar roes, alleen de buurman op 1 hoog
strijkt zijn hand langs het gordijn, zoekt kieren
om te kijken vanachter zijn schimmenspel,
een schaduw van te vroege gedachten, uitgeslapen eenzaamheid.
Ik knik en zie zijn hoofd bewegen.

Zie, de duizendknaller staat in flarden wat na te brallen
terwijl mijn hoofd maalt over wat ik vergat.
We zouden moeten vegen,
zo kun je geen feestjes verlaten.

 

 

 

 

Cowboys en indianen

Alles was licht en de dagen waren toen als weken,
de straten warm, en de sloten als een zachte deken.
Wij stommelden in schoenen, nauwelijks nog aan,
naar buiten, leerden elkaar roepen
door op onze vingers te fluiten.

We bekommerden ons niet om lege buiken,
thuis was om de hoek, maaltijden werden geroepen,
net als een warm bad of onverwachts bezoek.

Belangrijker wij – de cowboys en indianen –  verdeelden
de straat, met de spanning sneden wij nieuwe werelden
in de trillende lucht. We renden met vliedende benen,
een spreeuwen-zwerm in dansende vlucht,
eenmaal dood kon je altijd herrijzen, toen nog wel,
we hielden geen maat.

Uren, dagen, werden weken en zo de jaren die verstreken.
We groeiden meters, leerden nieuwe spelen
en keken, naar hoe we allen moesten gaan.

Nu open ik soms de ramen, fluister in stille straten
over bezoek of brood, met ogen turend
naar een vlucht spreeuwen, een verdwaalde cowboy,
indiaan of sloot.
Maar het is al ver na zevenen en in deze stad
herrijst niemand nog uit de dood.

 

 

Don Quichote

Ik ben niet zoals jij. Jij roeper
van vuur. Met tot de tanden je wapens.
Je zwaait vleugels, als glazen, kapot op de vloer.
Draait geen handen om voor strijd. Krijgt voedsel uit alles
in verzet. Jij jager, jij hakker, jij boer
zonder veld. Jij bent als verloren
zonder zaden en boog.
Het ontglipt je de dagen. De noodzaak voor brood.
Dus bestrijd je de wind,
molens op je weg.
Pas als in wolven gehuil ik roep
om al wat gaat breken,
wanneer de dieren zijn gedood en de akkers verwoest,
zaai je nieuwe zaden in mijn hoop
op betere dagen.

 

 

Al zegt dat niets

Wat ik wel kan
in een meute, massa, mensen,
lopen,
op een drukke dag,
tegen de stroom in,
eindigen.

Wat ik wel kan
is, onder ogen door huid,
er niet zijn.
Ik kan, blijven denken, zo in ganzenpas,
hoe het met rechte rug, beter is.

Wat ook kan is
dat zij het beter weten,
de meute, massa, mens
dat ze roepen ‘pas op er zijn dieven onder ons’
en ik zal zeggen
dat ik hier nooit kom,
dat het toeval is
dat ik ga.

Dat ik dat zeggen kan
dat ik wel ga,
niet vlucht,
dat ik, net als zij,
ook blijf.

Dat ik dat kan.

 

En dat je het daar dan mee moet doen

Om de hoek
lag fluisterend de zondagochtend door de straat, slordig weggevouwen
feestgedruis druipt af, de hoek om. Een T-shirt met korte mouwen
hangt vragend over een gevallen fiets, een half blikje bier bleef achter,
iemand vergat zichzelf.
In zijstraten verstopt het laatste verlangen zich zuchtend achter de gordijnen.
Deuren worden gesloten en huizen werpen hun baljurken uit
nu de straatverlichting dooft. Ze staan met naakte muren,
wachten rillend op de nieuwe dag, dit uur.
En dan ik, nooit zo vroeg hier, wel laat, passeer,
twee onrustige ballonnen
op de stoep, lange draden verloren geluk, blaffen
hun verlatingsangst naar de enkele voorbijganger, naar mij.
Hoor ze roepen ‘hier zijn we, hier is het feestje’,
deinend, vastgeketend aan de stoep. Een omhelzende
5 en 2 verwisselen van plaats.

Ik kijk weg, opzij, in winkelruiten
die op dit uur, zo zonder licht, alleen je spiegelbeeld verkopen
en dat je het daar dan mee moet doen.

 

Er was eens…

‘s Avonds, als ik binnen stap, omhelst
haar wereld mijn dag. Ze plaatst kusjes
als lichte veertjes en als trofee vangt ze mijn lach.
Ze neemt me mee in haar verhalen, knoopt
haar woorden tot een net. Zo schept ze luchtig,
nieuwe dromen, tot ik zeg: ‘kom, nu naar bed’

Een sprookje zou haar niet misstaan: ik zou
haar gouden haren kronen, het bos
met vogels tooien, de prinses
in haar ontmoeten en de draak voor haar verslaan.

Zo verdwaal ik in verhalen, knoop mijn woorden tot een net.
Schep ik luchtig nieuwe dromen, tot zij zegt:
‘Kom, je bracht me toch naar bed.’

 

 

 

 

 

Een wrede stilte

Hier komen we samen. Vraag naar ons. Ze zullen je wijzen waar.
Na de deur neem je de steile trappen, je slaat niet af maar
pas boven blijf je staan.
Daar vind je een ruimte met stille mensen. Ze wachten
met gestreken handen,
op hem, net zoals jij zult doen.
Neem een plaats die vrij is.

Hier is het, hier zal het zijn.
Hier speel je allereerst de nonchalance
met verve
en herhaalt de namen.
Als hij komt zul je het weten.
Hij zal lachen als hij ons ziet, het teken. Het komt goed.
Hij weet tenslotte waarvoor we komen, neemt plaats en
fluistert een naam.
Dat is het teken.

Dan schuiven we woorden
over de bleke tafel en leggen letters in het felle licht.
Ook jij.
We kijken toe hoe hij met zachte handen ontleedt en vraagt
of iemand anders nog wil snijden. Dan zwijgen we vooral, in wrede stilte.
Wij, zorgvuldige vreemden.

Daar zul je ons vinden en weten dit ben jij.

 

 

 

[ode aan de schrijversvakschool]

 

Prooi

Hij zit naast me aan de andere zijde
kijkt als een hert door de coupe
gekneusde papieren in zijn lange handen
die nergens lang blijven
ze strijken langs de randen
volgen trillend de lijnen van zijn mond
wrijven knieën
omvatten zijn hals
pakken wat valt weer van de grond

Ter Apel in Arabische tekens
magische vormen als tussenstations
voor deze reis

grote bruine ogen kruisen mijn blik
ik mompel
‘pas op voor de jagers’
hij hoort me niet maar slikt
‘Is this the right way, is this oké’
ik knik
maar denk
nee
wat weet ik tenslotte van dit soort vragen
ik leef niet in het wild

 

De school

Er waren meerdere trappen die ieder een andere verdieping
bereikten. Ik heb ze niet allemaal gelopen. Ik koos er één. Ze
waren stuk voor stuk steil en ook deze. 37 treden van
beneden vandaan. Boven was het donker en stil. De trap
eindigde bij een deur waarachter de leegte van een open
ruimte me overviel en ik ging liggen op de vloer. Koud beton
voor een verhit hoofd.
Beter kun je niet teveel wensen als er ook al niet veel wordt
beloofd. Trappen zouden ergens toe moeten leiden, de moeite
van het beklimmen waard. Het gegeven van omhoog wekt
hoop.
Ik vond er een nieuwe slaap. Al waren er wel meerdere trappen
die een andere verdieping bereikten.