Wat ook zou kunnen

we weven angst door ons zweet
wat verbindt, alleen samen blijft
het vliegtuig in de lucht
de volgende straat om de hoek

jij weet hoe en wat van formulieren
ik heb genoeg pennen in mijn tas
we tikken met vingers op de ramen
reisbestemmingen, de routes van de bus

als de roltrap, stijl, ons meters diep brengt
de muren van zand zich boven ons beramen
op de val, stort dat niet in, door jou en mij
zijn wij, een huis voor de wolf die we tatoeëerden
in een nieuwe taal op onze huid

we overleggen veel, we moeten weten
om te weerleggen of iets een waarheid is
of andersom uitgelegd ook zou kunnen
dat schrijf ik op terwijl jij de sloten inspecteert
en de kinderen zich omdraaien in hun bed

jij zorgt dat je op de hoogte bent
van het laatste nieuws
ik zorg dat we steeds weer
thuis komen
dat is goed

tot de dag dat ik boodschappen doe
in een verre stad de straten niet ken
toch de weg weet zonder jou
en dat jou dat eigenlijk niet verbaast

je de volgende dag zelf de brug over gaat
even alleen wil zijn, daar straten vindt die ik niet
of heb gewezen en toch thuis komt als blijkt
dat angst de leugen is of andersom

dat is mooi
of niet

Kind

Je  bent een beweging, draait van binnen
een lang been en legt je hand tegen een oor.
Misschien droom je mij, in het daveren
van mijn hart terwijl ik lucht voor je verzamel.

Dat ik jou kneedde, tot in detail en we smal verbonden waren
Daarna duwde je je los of ik jou. Voor iedereen zichtbaar werden we
twee. Keek ik mij aan door jou en knipten anderen ons door
nog voor je huilde.

Nu bepaal jij mij terwijl ik wacht
op veilig thuis, hoor jouw geluiden
op de trap, houd ons hoog in jouw val
sync hartslagen door de dagen,

wat mij was, daar sta jij, wat steeds meer van jou werd.
Waar eerder ik was, toen wij, werd jij, jij.
En dat, dat veranderde alles. Tot in detail.

Beter gelaten

Het was nog grijzer ochtend
dromen weefden als flarden
mist door nog onbepaalde dag

binnensmonds wortelden woorden
dat altijd alles, dat altijd tegen toch
dat het nooit meer maar dat dat
kwam door dat jij
of ik,

zo stond ik zwaarder dan Lot
zouter dan zee huilde
niet, naaide sloten om ieder begin

zweeg luider, stemde doof, zo
dat niets, dat het beter bleef
zonder dat jij,
of ik.

 

Zodat je je herinnert waar je al was

Op sommige dagen buigt het leven krom,
als de houten tafel in teveel regen.

Het is de zwarte kat die op me wacht
als speeltje uitspeelt tegen de dag en anderen
tot alles onomkeerbaar duister is geworden,
ik de glazen in de porseleinkast heb gebroken,
al het geluk van de wereld nodig is
om een andere dag te beginnen.

Op sommige dagen lopen mijn gedachten een doolhof
tegen blinde muren in het hol van de Minotaurus.

Een onherroepelijke val.

Op sommige dagen blijken er veel van dit soort dagen
of blijkt dat ik ze tel.

Rorschach

In de vroege ochtend als alles nog schemert
en niemand zich nog waagt aan het ruime sop,
ligt de straat er verscheurd bij,
haar stenen blakerden zwart onder het kruit, een zwarte inktvlek
om in te verdwalen, Rorschach.

De resten papier kleuren rood, geel en groen,
als confetti; iemand sloeg een pinata stuk
op de weg, strooide lege champagne flessen als markeringen,
iemand verloor een oog of misschien wel drie
maar wie maalt daarom in het land der blinden.

De stad slaapt haar roes, alleen de buurman op 1 hoog
strijkt zijn hand langs het gordijn, zoekt kieren
om te kijken vanachter zijn schimmenspel,
een schaduw van te vroege gedachten, uitgeslapen eenzaamheid.
Ik knik en zie zijn hoofd bewegen.

Zie, de duizendknaller staat in flarden wat na te brallen
terwijl mijn hoofd maalt over wat ik vergat.
We zouden moeten vegen,
zo kun je geen feestjes verlaten.

 

 

 

 

Cowboys en indianen

Alles was licht en de dagen waren toen als weken,
de straten warm, en de sloten als een zachte deken.
Wij stommelden in schoenen, nauwelijks nog aan,
naar buiten, leerden elkaar roepen
door op onze vingers te fluiten.

We bekommerden ons niet om lege buiken,
thuis was om de hoek, maaltijden werden geroepen,
net als een warm bad of onverwachts bezoek.

Belangrijker wij – de cowboys en indianen –  verdeelden
de straat, met de spanning sneden wij nieuwe werelden
in de trillende lucht. We renden met vliedende benen,
een spreeuwen-zwerm in dansende vlucht,
eenmaal dood kon je altijd herrijzen, toen nog wel,
we hielden geen maat.

Uren, dagen, werden weken en zo de jaren die verstreken.
We groeiden meters, leerden nieuwe spelen
en keken, naar hoe we allen moesten gaan.

Nu open ik soms de ramen, fluister in stille straten
over bezoek of brood, met ogen turend
naar een vlucht spreeuwen, een verdwaalde cowboy,
indiaan of sloot.
Maar het is al ver na zevenen en in deze stad
herrijst niemand nog uit de dood.

 

 

Don Quichote

Ik ben niet zoals jij. Jij roeper
van vuur. Met tot de tanden je wapens.
Je zwaait vleugels, als glazen, kapot op de vloer.
Draait geen handen om voor strijd. Krijgt voedsel uit alles
in verzet. Jij jager, jij hakker, jij boer
zonder veld. Jij bent als verloren
zonder zaden en boog.
Het ontglipt je de dagen. De noodzaak voor brood.
Dus bestrijd je de wind,
molens op je weg.
Pas als in wolven gehuil ik roep
om al wat gaat breken,
wanneer de dieren zijn gedood en de akkers verwoest,
zaai je nieuwe zaden in mijn hoop
op betere dagen.

 

 

Al zegt dat niets

Wat ik wel kan
in een meute, massa, mensen,
lopen,
op een drukke dag,
tegen de stroom in,
eindigen.

Wat ik wel kan
is, onder ogen door huid,
er niet zijn.
Ik kan, blijven denken, zo in ganzenpas,
hoe het met rechte rug, beter is.

Wat ook kan is
dat zij het beter weten,
de meute, massa, mens
dat ze roepen ‘pas op er zijn dieven onder ons’
en ik zal zeggen
dat ik hier nooit kom,
dat het toeval is
dat ik ga.

Dat ik dat zeggen kan
dat ik wel ga,
niet vlucht,
dat ik, net als zij,
ook blijf.

Dat ik dat kan.

 

En dat je het daar dan mee moet doen

Om de hoek
lag fluisterend de zondagochtend door de straat, slordig weggevouwen
feestgedruis druipt af, de hoek om. Een T-shirt met korte mouwen
hangt vragend over een gevallen fiets, een half blikje bier bleef achter,
iemand vergat zichzelf.
In zijstraten verstopt het laatste verlangen zich zuchtend achter de gordijnen.
Deuren worden gesloten en huizen werpen hun baljurken uit
nu de straatverlichting dooft. Ze staan met naakte muren,
wachten rillend op de nieuwe dag, dit uur.
En dan ik, nooit zo vroeg hier, wel laat, passeer,
twee onrustige ballonnen
op de stoep, lange draden verloren geluk, blaffen
hun verlatingsangst naar de enkele voorbijganger, naar mij.
Hoor ze roepen ‘hier zijn we, hier is het feestje’,
deinend, vastgeketend aan de stoep. Een omhelzende
5 en 2 verwisselen van plaats.

Ik kijk weg, opzij, in winkelruiten
die op dit uur, zo zonder licht, alleen je spiegelbeeld verkopen
en dat je het daar dan mee moet doen.