Wat we leerden

Vandaag stormde het. Voor het raam
zag ik het vuil uit hoeken vluchten, opgejaagd
door een onzichtbare hand, die duwde en dwong,
– een marionettenspeler – de wereld bewoog.

Ik luisterde naar de potten met planten,
de woest wakker geslagen plastic tas,
het rammelende blikje energy-drink,
tot de dakpannen en bomen braken.

Een vrouw hield kinderen op het midden van de straat
– gevaar kun je ruiken in de angst van de ander –
moeders zijn de ijsberen van de aarde.

Ze keek met mij mee omhoog,
alsof we daar een teken konden ontwaren.
Er vloog een meeuw van zijn pad af
koerste als een schip op drift,

het leek hem niet te deren, gleed zijdelings weg
nam onze ogen mee in lang
getrokken draden van wat ik dacht.

En alles bleef maar vallen;
de dagen, mijn wimpers, jouw handen, beloftes
tot niets meer over was en toch ook de wind, die ook,
ging liggen als een aaibare hond.

We hebben het daar gelaten
voor een volgende storm,
dat was wat we hadden geleerd van de vorige keer;
wat zich niet laat driften, maar valt, valt een volgende keer weer.

 

Houd moed

Dus zat je daar met een huis vol
mogelijk geluk. Een koffiekop
met de tekst houd moed,
de extra stofzuiger, lege fotolijsten,
de gevonden koffers in de gang

voor als, zoals ook de extra borden, bekers,
glazen. De herinneringen liggen in de lades
in stapeltjes van betere tijden.
De buurvrouw vraagt of je iets hebt
aan de restjes van haar feest, wat kaas

een stuk taart, de wijn is op, er zijn
natuurlijk weer veel gasten geweest.
Ze plaatst het vanmiddag op de trap.
Daar wacht je nu op onder de slingers
met Hiep Hiep Hoera, die je bewaarde

voor speciale momenten, als deze,
je vond ze in de la.

Wachten op een thuiskomst

laat me zijn
breekbaar samenraapsel van huid en bot
met wangen om van binnen op te bijten
ogen om achter te verdwijnen, een buik
om in te huilen en onverwachte plaatsen
om in te schuilen van schedel, schouder
en het achterste van de tong

laat me zijn
een beven zonder harnas van wimpers
en tanden, lang uitgestrekte binnenwanden,
vuurgedoopte handen, zenuwbanen
waar ieder bericht zich op lijkt te keren,
tot waar het begon

laat me
wachten op een thuiskomst,
een herhalende hartslag of andere tekens
van leven, als alles weer langer dan verwacht
ergens onderweg blijft breken

Het zal komen

In de avond regende het
zo hard dat ik dacht:
ik moet naar buiten,
doorweekt raken, huid tot bot,

zenuwen bloot, daar zo staan
dat het druipt of liggen, languit in een plas
met mijn oren onder water. Dat kinderen
met rode, rubberen laarsjes zullen springen,

zingen, het licht, glinsterend, zal breken
ter hoogte van mijn buik. Diep duikend
druppels zich zullen rekken, in ovalen
onderwater tenoren langs mijn hoofd.

Alles zal komen zoals het valt.

 

Tegen beter weten

 

Laten wij ook met gelijke capuchons,
dicht over onze oren, de wereld gaan ontdekken.
Dan kopen we kaarten om te sturen
en andere voor de weg.

We kijken naar de niet belopen lijnen;
jij wil dan rechts en ik toch links
(het zal niet anders gaan)
ook daar zijn natuurlijk vele wegen
om ergens, wel of niet, te komen.

In navolging noemen we het ‘het heerlijke verdwalen’
en ook zullen we ons gelukkig prijzen met de nieuwe dag.

Als markeringen op de kaart
vragen we anderen ons te fotograferen
zodat we straks kunnen beweren ‘dat zijn wij
die daar zo staan.’

 

Op de schaal van Richter

Ik heb je niet gemist zoals voorheen
met water in de mond
ik draai mijn handen open, op tafel
als smal tere dieren. Hoor
hoe mijn stem maar ook het licht
scherper schijnt nu je niets zegt

Vogels zwijgen als een aardbeving komt, las ik
[horen ze het komen?]

huizen zullen vallen, meubels breken
maar ook de tijd, de tijd

Als je op staat trek ik mijn handen terug
nerven liggen bloot op het gladde blad
het licht blijft, we kijken hoe het een breuklijn
snijdt. Ik leg mijn handen om je oren
vraag of je houden van kunt horen
je zegt dat je me niet verstaat

 

Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.