Stille vogels

 

De ziekte kwam zitten als stille vogels
op het dak. We huilden noodweer
achter gesloten ramen. Oud worden,
vakanties, een nieuwe jas, ze dropen
als straaltjes over het glas, verdwenen
beneden in de rulle aarde.

Tot de tranen stopten en we zwegen.
Ons voorhoofd legden tegen de koude ruit.
Naar buiten staarden en bezweringen fluisterden
tot de nacht, met neergeslagen ogen keken
hoe ontwakend niets meer zeker was.

De onmogelijkheden geteld
plaatsten we de dagen terug, als een kleine adem
onder vogelveertjes. Het ritme kwijt
lopen we nog nauwelijks in pas. Verzinnen
schuilplekken voor een onverwachtse bui.

De avond komt toch, ook nu in deze dagen,
daar kunnen we niks meer mee
dan er niet teveel zijn. Het is wachten op licht,
zuchten en vleugels spreiden, tegen de logica in
opstijgen. Boven de stille vogels uit, de zon zoeken
in het zwart, verschroeide lucht ruiken, branden

(en toch gaan.)

 

Rustig rustig

Op de kleinere en grotere stenen lees ik
de patronen. Ik zou hier kunnen leven, keitjes
door de dagen. Een stad van verhalen zoals mijn hoofd vol
twijfelt en vogels boven de brug in de lucht struikelen.
Ik heb een sleutel en een tweeledige houten poort.

Ergens is het altijd chaos in kleine hoekjes en achter de randen
lijkt alles te stranden in wat beter kon, ik dichter bij wil
en recht leg. Ergens is het als in sporen lopen en toch
verdwalen. Vlaggetjes spannen en dat herhalen
fluisteren dat het komt, goed.

Tussen haken

In het huis voor zieken hoor ik onze stemmen
kaatsen, tegen hotel witte wanden. We proberen het;
knijpen onze ogen dicht, zijn bij zee,
in een vorig land, jij lacht, mijn zus.

We trekken de minibar open maar plunderen niets,
het loopt hier uit de hand, zusters zeilen binnen,
met handen vol aan ons, of eigenlijk jou
wat kunnen we beginnen als je steeds weer

tussen vingers door blijft glippen.
Je lacht, zus, en ziet ons al zwemmen,
daar betalen we goud voor, de sjacheraar
die ons meer biedt dan deze; doodlopende tripjes

door dalen waar de bomen ons de adem benemen maar
een bezoek aan de toppen niet in de koop is inbegrepen.
Je schuift je heup en trekt aan pijn,
we nemen de rolstoel niet mee, herinneringen
naderen het dichtst ons verlangen

daar horen rennende benen bij.
We ketsen al vlug als kogels terug
van de wanden, branden vragen af, oh zuster,
we proberen er echt niet in te blijven steken.

(dat maar niets zal breken! op dit bezoekende uur)

Ik breng mijn hand omhoog en kruis bedreven mijn vingers
een schaduwvogel op de hagelwit beschoten muur.

Ziek

Het was maandag en dag
zo was nog het feit
ik lag alleen in het bed
groot wit vlak in een verduisterde kamer
ik riep ‘red mij’ maar niemand hoorde me
het wit vloeide uit, waarin ik verhitte tot lava
en verdween, iedere minuut werd een wachten
ik stak handen uit naar koortsige passanten
maar iedereen loste op in zichzelf
en ik bleef
roepen
Red mij
Red mij

tot mijn longen pijn deden en mensen
zich over me begonnen te buigen
maar me niet meer konden vinden
ze zeiden sssst en tssst
slopen op tenen terwijl ik handen
stak door het oppervlak
wegdreef en vroeg
Red mij
Red mij

toen moest ik gaan staan
anders konden ze me niet zien
maar ik had geen benen meer
zij zeiden van wel en namen me mee
ze diagnosticeerden, infiltreerden,
mijn bloed, mijn hoofd, analyseerden me
in röntgen, brachten me terug tot
8 pillen
8 pillen

daar zag Ik de wereld vanbinnen
zo verlaten als een beschoten stad
met schutters op elke dakrand
en huilende baby’s zonder ouders
ik zag monden met tanden maar zonder woorden
ogen die verkoolden en stikten in het zwijgen
en ik, wist niets
Red mij
Red mij

weet niet of ik terug wil of eraf
lig te hopen op een besluit
en de vertaling
die maar niet komt.

 

 

Het woeste westen

Een korf met vijf kinderen zwiert door de lucht,
een nestje koekoeksjongens kwetteren, gooien
ledematen over elkaar, als mikado
zijn ze, worden kwaad als een draaiend blad

in de wind, vallen zonder zwaartekracht
in geldingsdrang. De grote jongen naast me
lacht, hij heeft ze verzameld, hier gebracht
‘zo weinig mannen in dit vak, het is een gemis’

lacht met witte tanden, trots
de woorden lichter. Hij is er tenslotte,
laat ze hun handen en benen bewegen, geeft

niet zoveel gas tegen, smeert tranen
en brandnetels weg met paarse bloemen,
kijkt of ik hem wel zie, de grote jongen,
ruwe bolster in kinderschoenen, ‘mevrouw,

het is wat de wereld zegt, we zijn met te weinig hier.’

Ik denk aan de koekoek, waar zij nu is, zo laat
ze haar jongens voeden door een stadse mus
en zal ze straks vragen hoe het met ze gaat,
‘ik laat ze wat makkelijker

huilen’ zegt hij dan waarschijnlijk enthousiast.

Zo vliegt een nest met jongetjes hier voorbij
en koekoek ik, aan mijn zij, de grote jongen.

 

 

het later ‘een weekendje weg’ noemen

De sleutel krijgen, deuren openen
naar een stille kamer. Een huis
van anderen je eigen maken. De meubels
schuiven, het bed horen, kraken, kijken
waar je licht kan laten

komen. Hoeveel passen tot
het raam. Te weinig spullen
om kwijt te raken. Schilderijtjes
die betekenisvoller zijn
dan gedacht, of onnozeler,
gehangen door handen, zorgvuldig

gekozen. Een ruimte die ik niet ken
binnenstappen en dan thuis komen
voor een paar dagen.

 

Van wat ik achterliet

In dat huis met warme muren
staat een breed bed met witte lakens
een sinaasappelpers en sinaasappels, broodrooster
besteklade vol en pannen, mand vol mandarijnen
brood van vandaag, dadels en rozijnen
een grote bank daarnaast een tafel
voor bijvoorbeeld thee of nootjes
bij de teevee en films om uit te kiezen
kussens om in te vallen en boeken
foto’s in de mappen, een sjaal gekregen
het suikerpotje van oma, die er niet meer is
de kerfjes in het hout waar de kinderen groeiden
de wasmachine en haar geluid, schoenen
meerdere paren.

Toen pakte ik de tas en koos waar we op zouden leven
de pinpas, de paspoorten, de telefoon, een mes,
één foto.

Niet alles
dat was te zwaar.

De last van moeten kiezen en verliezen
dat nu alles mist als gaten in de dag
nooit meer zullen zijn zoals we waren.

De bank voor de rust in de dagen.
De kussens voor een zwaar hoofd.
De stilte in de avond,
het zoeken naar kerfjes in het blanke hout.

Wat ook zou kunnen

We weven angst door ons zweet
wat verbindt, alleen samen
blijft het vliegtuig in de lucht
ligt de volgende straat om de hoek

jij weet hoe en wat van formulieren
ik heb zat pennen in mijn tas
we tikken met vingers op de ramen
reisbestemmingen, de routes van de bus

als de roltrap, stijl, ons meters diep brengt
de muren van zand zich boven ons beramen
op de val, stort dat niet in, door jou en mij
zijn wij, een huis voor de wolf

die we tatoeëerden, als een taal in onze lichamen
we overlegden veel, we moesten weten, om te weerleggen
of iets een waarheid was of andersom
uitgelegd ook zou kunnen.

Dat schreef ik op terwijl jij de sloten inspecteerde
de kinderen zich omdraaiden in hun bed
jij zorgde dat je op de hoogte was van het laatste nieuws
ik zorgde dat we steeds weer thuis kwamen

dat was goed,

tot ik boodschappen deed in een verre stad
de straten er niet kende, toch de weg wist
zonder jou en dat jou dat eigenlijk niet verbaasde
je de volgende dag zelf de brug over ging

even alleen te zijn, daar straten vond die ik niet
had gewezen en thuis kwam
toen bleek de angst de leugen of andersom
uitgelegd ook te kunnen

dat was mooi,

of niet.

Kind

Je  bent een beweging, draait van binnen
een lang been en legt je hand tegen een oor.
Misschien droom je mij, in het daveren
van mijn hart terwijl ik lucht voor je verzamel.

Dat ik jou kneedde, tot in detail en we smal verbonden waren
Daarna duwde je je los of ik jou. Voor iedereen zichtbaar werden we
twee. Keek ik mij aan door jou en knipten anderen ons door
nog voor je huilde.

Nu bepaal jij mij terwijl ik wacht
op veilig thuis, hoor jouw geluiden
op de trap, houd ons hoog in jouw val
sync hartslagen door de dagen,

wat mij was, daar sta jij, wat steeds meer van jou werd.
Waar eerder ik was, toen wij, werd jij, jij.
En dat, dat veranderde alles. Tot in detail.