Ongelukje

Het laatste glas pak ik van tafel, de set
is al lang niet meer compleet.
Ze glip gleden uit gladde handen of tolden,
over randen,
net als jij.

Ik streel langs lange witte lijnen, lees in braille
de bloemen op haar gladde glazen huid. Toost dan, hoopvol,
op het leven, maar drink het er vervolgens onderuit.
Met het water aan de lippen, zeg ik;
‘dit is de laatste’ ,
en laat ik los wat nu nog rest.

In de val,
nog voor het breken,
hoor ik je lach,
jij vindt het best,
jij was al weg.

 

 

[Voor Abdi, vriend]