Zet de televisie even uit, ik kan je niet verstaan

Ik zei ‘red mij’, klopte op de deuren
in met stilte drukkende straten
zelfs de luiken waren geloken
waarachter bange oren nog lagen te waken
ondanks de dichtgedraaide sloten, net op tijd, om mij
dat ik buiten stond en voelde; er gaat nu niemand komen
iedereen is er, ik hoor jullie trillen, ik wil gillen
want red mij.

Toen brak mijn hoofd en bulbte alles naar buiten
zo midden door de straten rolde de hitte
al die losse delen in de gaten als een ongemonteerde versie
van mijzelf. Chaos alom, de straat werd erdoor verslonden
tezamen met alle nutteloosheid, verzamelde beelden van teevee
de wereld waar ik niet bij was maar die kwam
werd los gebraakt van context en lag daar zichzelf te zijn.
Ik hoorde geschuifel achter de deuren. Ze kropen naar de kelders
schoven huisraad en installeerden zich voor erger
door de muren hun gefluister;
‘Red ons.’

Als levend wild het hol ingestuurd.
Woorden, beelden, van wat ik dacht te weten, zwollen
tot een crescendo, paukenslagen, onder het kabaal
recht voor me, verbrandde alles tot lava, vrat aan vorm
trok me heetgebakerd dieper, zakte ik lager tot aan oevers van de Styx.
Red mij.

Ik moest mijn zakken legen toen ze kwamen. Wie het waren?
Ze waren met velen, ogen, mensen
kropen dichter, lagen naakt, stonden rugwaarts, vaak
op afstand kijkend alsof zij meer wisten dan ik.
Een man lachte naar me. Hoe hij zo stond
met de ballonnen-machine en grote en kleine ballonnen blies.
Ze verdwenen in de lucht.
Red ons, stond op allen.

Ogen werden kassen kijkend naar de woorden in het babyblauw,
verschroeiden of dropen weg. Niet huilen.
Hier geen plaats voor tranen, hier geen plaats voor tranen.
Zo was de wereld echt.

Met mijn open gebraakte hoofd en losgevallen cellen knoopten ze driftig
nieuwe verbindingen zodat ik toch iets zou begrijpen, dacht ik.
Ik moest toch iets begrijpen. Het was te zwart, te ziek.
Een baby dreef voorbij.
De man met het opgezwollen konijnen hoofd.
Een meisje dat ondergespoten werd  door een slagroomkanon.
Overal keken de kinderen me aan met hoopvolle gezichten:
‘Red mij.’
‘Red mij.’
‘Red mij.’

Ziek

Het was maandag en dag
zo was nog het feit
ik lag alleen in het bed
groot wit vlak in een verduisterde kamer
ik riep ‘red mij’ maar niemand hoorde me
het wit vloeide uit, waarin ik verhitte tot lava
en verdween, iedere minuut werd een wachten
ik stak handen uit naar koortsige passanten
maar iedereen loste op in zichzelf
en ik bleef
roepen
Red mij
Red mij

tot mijn longen pijn deden en mensen
zich over me begonnen te buigen
maar me niet meer konden vinden
ze zeiden sssst en tssst
slopen op tenen terwijl ik handen
stak door het oppervlak
wegdreef en vroeg
Red mij
Red mij

toen moest ik gaan staan
anders konden ze me niet zien
maar ik had geen benen meer
zij zeiden van wel en namen me mee
ze diagnosticeerden, infiltreerden,
mijn bloed, mijn hoofd, analyseerden me
in röntgen, brachten me terug tot
8 pillen
8 pillen

daar zag Ik de wereld vanbinnen
zo verlaten als een beschoten stad
met schutters op elke dakrand
en huilende baby’s zonder ouders
ik zag monden met tanden maar zonder woorden
ogen die verkoolden en stikten in het zwijgen
en ik, wist niets
Red mij
Red mij

weet niet of ik terug wil of eraf
lig te hopen op een besluit
en de vertaling
die maar niet komt.