‘Oh Icarus’

 

De ziekte kwam zitten als stille vogels
op het dak. We huilden noodweer
achter gesloten ramen. Oud worden,
vakanties, een nieuwe jas, ze dropen
als straaltjes over het glas, verdwenen
beneden in de rulle aarde.

Tot de tranen stopten en we zwegen.
Ons voorhoofd legden tegen de koude ruit.
Naar buiten staarden en bezweringen fluisterden
tot de nacht, met neergeslagen ogen keken
hoe ontwakend niets meer zeker was.

De onmogelijkheden geteld
plaatsten we de dagen terug, als een kleine adem
onder vogelveertjes. Het ritme kwijt
lopen we nog nauwelijks in pas. Verzinnen
schuilplekken voor een onverwachtse bui.

De avond komt toch, ook nu in deze dagen,
daar kunnen we niks meer mee
dan er niet teveel zijn. Het is wachten op licht,
zuchten en vleugels spreiden, tegen de logica in
opstijgen. Boven de stille vogels uit, de zon zoeken
in het zwart, verschroeide lucht ruiken, branden

(en toch gaan.)