Ontsnappingen III

Als ik, zonder te draaien
vanuit de hoeken langs wimpers
niet kijk maar luister
met adem in de aanslag
(en echt) het zal, ik wil
een pad om te ontsnappen zijn
dan zal ik juichen

het is maar een lichaam weet je
een huis voor de tijd

 

Op de schaal van Richter

Ik heb je niet gemist zoals voorheen
met water in de mond
ik draai mijn handen open, op tafel
als smal tere dieren. Hoor
hoe mijn stem maar ook het licht
scherper schijnt nu je niets zegt

Vogels zwijgen als een aardbeving komt, las ik
[horen ze het komen?]

huizen zullen vallen, meubels breken
maar ook de tijd, de tijd

Als je op staat trek ik mijn handen terug
nerven liggen bloot op het gladde blad
het licht blijft, we kijken hoe het een breuklijn
snijdt. Ik leg mijn handen om je oren
vraag of je houden van kunt horen
je zegt dat je me niet verstaat

 

Ruimte

 

Mijn dochter wilde even Ru-Pauls Drag Race kijken. Dit had ze bij een vriendin gezien en vond ze leuk. We keken het een tijdje en ik vertelde dat ik weet dat een goede vriend A en zijn vriendje het ook kijken. Dat ik via hen er al over gehoord had. ‘
Ja,’ zegt ze ‘ik denkt dat homo’s dit wel leuk vinden omdat ze het herkennen. Ik denk dat die Drag Queens namelijk ook vaak homo zijn.’
‘Nou niet altijd,’ zeg ik ‘sommigen zijn ook bi of misschien zelfs hetero, dat zei die ene Drag Queen namelijk net.’
‘Bi?’ Vraagt ze.
‘Ja, dat je op jongens en meisjes verliefd kunt worden,’ zeg ik ‘zoals ik en heel veel anderen.’
‘Oh dat,’ zegt ze ‘ik denk dat ik dat ook ben.’
‘Ja?’ Vraag ik ‘waarom denk je dat?’ ‘Nou, nu val ik nog wel meer op jongens maar later denk ik dat ik ook wel op meisjes val. Ik vind ze namelijk wel vaak heel mooi en ook grappig.’

Ik knik, dat vind ik ook en wat heerlijk om dan niet in een hokje te hoeven denken. Wat is er nou mooier dan vrij te zijn in wat je voelt voor iemand. Om straks wel te zien op wie je verliefd wordt.

‘Je kunt ook niet weten op wie je verliefd wordt,’ zegt ze ‘dat weet je pas als het gebeurt.’

Wijze woorden.
Ik wens iedereen die ruimte

Keilen

Terwijl we moe als uitgevallen kleren
ons laveren op het witte vlak
met bleke zeilen trekken aan de uren
en slierten benen lenen aan elkaar

varen we handen over een zelfde deinen
luisteren we hoe stil achter de gordijnen
een dichtgetrokken horizon
de dag laat glijden over de rand

Hoe hoofden zich verankeren
zwaarder dan de stenen
die je zuchtend gooit in de gladde nacht
waarna de kringen vallen in ons denken
bezwerend zinken tot de bodem

fluisteren – morgen weer een dag –

De sleutel

 

Mijn dochter was haar fietssleutels kwijt. We hadden al overal gezocht maar ze niet gevonden. Het was op school gebeurd. Ik had de school uitgeplozen en de juf en conciërge ernaar gevraagd maar zonder resultaat. Teruglopend naar mijn eigen fiets bedacht ik me dat de sleutels misschien wel bij de school om de hoek waren afgegeven.

Om de hoek zit een school waar middelbare scholieren die het op andere scholen niet hebben gered terechtkomen. Het zijn niet zozeer leerlingen die slecht kunnen leren maar vooral ‘moeilijke’ leerlingen. Leerlingen die om wat voor een reden dan ook, extra zorg nodig hebben. Ze komen s’ochtends aangelopen met hun capuchon over hun hoofd getrokken zodat hun ogen nauwelijks zichtbaar zijn. Sommigen met  een zak chips  in hun hand. Ze hebben geen haast om naar school te komen. Regelmatig is er geduw en getrek in de smalle straat en af en toe een gevecht. Een enkeling groet terug als ik in het voorbijgaan ‘goedemorgen’ zeg. De juf in mij wil toch die lach op hun gezicht toveren. Soms lukt dat. Al is het vaak maar een klein lachje.

Ik loop het smalle zijstraatje in waar de school zit en besluit te vragen of de fietssleutel bij hen is afgegeven. Ik parkeer mijn fiets terwijl een aantal jongens me passeert om de school binnen te gaan. Ze kijken langs me heen met een verveelde blik. Ze hebben er duidelijk zin in vandaag.

De grote glazen deur is op slot. Ze bellen aan. Ik loop met de vier jongens mee naar binnen.

Achter de deur is een klein voorportaaltje met daar weer achter een wat grotere hal. In de hal, meteen links is een raampje naar een afgesloten glazen ruimte, hier lijkt de administratie te zijn. Een jonge vrouw loopt er druk rond. In de hal staan twee mannen van boven de veertig. Eén man is Surinaams, de ander kan ik wat moeilijker plaatsen maar lijkt Turks. De mannen doen me denken aan de zilverrug gorilla in Artis. Ze kijken, zijn er, zien alles en zullen niet opzij gaan. Ze negeren mij maar ik weet dat ze me al van verre gezien hebben.

De Turkse man heeft een lijst in zijn hand.

Ik wacht naast het raampje van de admnistratie want wat me meteen duidelijk is, is dat niemand hier nu echt tijd voor me heeft. Ik ben beland in de startrituelen van een nieuwe schooldag en die liegen er hier niet om. Ik voel de hoge energie, de totale focus van de mannen en de drukte van de jonge vrouw in de glazen afgesloten ruimte. Hier mogen geen fouten gemaakt worden. Hier ben je alert, gefocust, op je hoede.

De jongens grommen wat voor zich uit, maken hun borsten breed en ijsberen in de ruimte die de twee mannen hun geven. Ze staan geen seconde stil. De capuchons gaan pas af als de mannen hen aanspreken. De mannen zijn breder, stellen vragen en versperren de weg.

‘Heb je je spullen bij je Kelvin?’ Ik hoor het antwoord niet maar zie de jongen zich omdraaien. Hij gromt ‘ Laat me gaan, laat me dan naar huis gaan, ik heb die spullen nu toch niet, dan kan ik hier ook niks.’ Er wordt niet op gereageerd. In plaats daarvan schrijft de Turkse man iets op de papieren in zijn hand. Mannentaal is hier de code. Weinig woorden en veel zwijgend aftasten. Wat wel gezegd wordt is een afgemeten dagelijkse strijd. De jongens weten dat ze van deze mannen nu niet zullen winnen maar iedere dag opnieuw zullen ze het proberen.

Een kleinere jongen wacht voor me bij het raampje van de administratie. Hij heeft zijn rug naar de grotere jongens toegedraaid terwijl zijn schouders moedeloos naar voren hangen in zijn grote jas. Hij wacht. De getatoeëerde armen en de scherpe blik van de magere jonge vrouw achter het glas doen me eerder denken aan een havenarbeider dan aan een administratief medewerkster van een school.  Ik bedenk me dat je hier misschien ook meer hebt aan een havenarbeiders mentaliteit dan de verfijnde skills van een administratief medewerkster.

‘Hé Rory’ zegt ze warm terwijl ze voorovergebogen over een laatje de blik vangt van de kleine jongen met de moedeloze schouders. Hij zegt niets. Haar vingers glijden over de namen op het ladekastje en stoppen bij een laatje in het midden. Ze haalt er een potje uit. Ze draait zich om, loopt de paar passen naar het raampje en draait het potje open. Ze schudt zorgvuldig drie pilletjes in de uitgestoken hand van Rory. Ze draait zich terug, tapt routineus een bekertje water en geeft het aan hem. Dan pas zie ik dat haar handen trillen.

‘Kan ik iets voor je doen’ zegt ze terwijl ze kijkt hoe Rory zijn pilletjes inneemt.

‘Hebben jullie misschien een fietssleutel gevonden of is er een sleutel bij jullie afgegeven’ vraag ik. ‘Sorry, nee’ zegt ze. Haar toon is vriendelijk en behulpzaam maar haar tijd is duidelijk beperkt. Ik bedank en draai me om waar ook de mannen doorwerken in totale focus.

Ik loop naar buiten en denk aan mijn jaren onderwijs. Ik ken deze focus. Ik ken de stress die stapelt door de jaren. Ik ken de passie waarmee deze docenten proberen om deze jonge mensen een nieuwe kans te geven. Ik weet hoe het voelt om door die harde buitenkant heen de pijn bij kinderen te zien en hoe dat je helpt om iedere dag er weer te gaan staan. Dat je weet hoe het zonder jou en je collega’s zal gaan met deze jongens en meisjes en hoe dat je de energie geeft om voor ze te blijven knokken. Ik weet ook hoe het je opvreet. Hoe veel het kost. Hoe je op kunt zien tegen de nieuwe week. Hoe je alle zeilen bij moet zetten om ze steeds weer met kleine zetjes de goede kant op te duwen, te leren dat de wereld niet alleen maar strijd is, niet iedereen een potentiele vijand, het niet alleen maar gaat over het recht van de sterkste, dat ze hun maskers mogen laten vallen en mogen gaan leven.

Ik zou terug willen lopen en deze twee mannen en deze jonge vrouw willen zoenen. Ze zeggen hoe geweldig het is wat ze doen. Ik zou op een stoel willen gaan staan en een speech voor ze willen houden over hoe hard deze stad, dit land, deze wereld, mensen zoals zij nodig heeft. Hoe erg ik het vind dat hun beroep zo ondergewaardeerd wordt. Hoe er te weinig compensatie is voor de hoge werkdruk in tijd of financieel. Maar Ik pak mijn fiets en loop de straat uit richting de gracht want ik weet dat ze er geen tijd voor zullen hebben.

Ze moeten door.

 

Etsen van zijn

Nog twee dagen hier, op Koh Tao. Het eiland waar we zo’n dertien jaar geleden per ongeluk neerstreken en nooit meer helemaal vertrokken. Ik probeer de dagen te etsen. Ze te kerven op de koperen platen van mijn zijn. Zodat ik ze er thuis uit kan halen en stiekeme afdrukjes van kan maken op donkere dagen.
Ik hoef geen plaatjes van een blauwe zee met een wit strand boven mijn bed, dat is het niet, het is iets anders.
Ik kerf alvast deze nacht en deze ochtend;
De wind ruist om ons één kamer huis en glipt met lange vingers door de open ramen. Aait mijn gezicht en de haartjes op mijn blote benen. Ze mengt met het golvende geluid van de zee en wedijvert met de rustige slagen van de ventilator boven ons bed.
Het huis is niet groot en van hout en als je anders kijkt zou je het armoedig kunnen noemen maar voor ons heeft het alles wat we nodig hebben. Een kleine badkamer met lauwe douche, een groot en een klein bed waarop we onze blauwe lakens hebben gespreid en de grote veranda. We wonen hier op het strand. De zee ligt 20 meter voor ons als een al net zo gespreid laken.
Tegen de ochtend wint de wind en weet ze de kamer te koelen, net voordat de hanen kraaien. Dan klik ik de ventilator uit en wordt alles rust. Ik draai me op mijn zij, hoef nu niet meer op mijn rug de wind te vangen voor verkoeling en doezel weer in slaap.
De start van een nieuwe dag.
Een zacht strijkend licht wat ons wekt en ieder op zijn eigen tijd op laat staan. We praten niet. Niet nodig. We hebben na drie weken de zee in onze ogen net als alle mensen die hier wonen. Wie als eerste wakker is opent de deur naar de veranda waaronder het zachte zand al op onze tenen ligt te wachten en honden in alle kleuren en maten zich nogmaals omdraaien in de prille dag. Alleen de kippen zijn al met hun kuikens aan het scharrelen tussen de huisjes. Kuikentjes die soms al scharrelend in slaap vallen en daardoor hun broertjes, zusjes en belangrijker, hun moeder uit het oog verliezen. We zien ze luid piepend met lange nekjes smiddags tussen de andere kippen. Geen kip of haan die naar ze kraait. Soms vinden ze hun moeder terug, soms vindt een ander dier hen eerder.
We gaan zitten, blijven nog even staan, rekken ons uit of hangen op de houten veranda balustrade en luisteren al kijkend naar de logica van de ontwakende dag.
Het oneindige, oneindige kabbelen van de zee in al haar schakeringen blauw met grijs en wit waarop de enkele vroeg vertrokken duikboten zich aftekenen aan de horizon. De orde van de dagen hier. We trekken geen schoenen aan. Er zijn geen ochtendhandelingen nodig voor ‘naar buiten gaan’.
Langs het huisje loopt de Thaise klusjesman van de oude gedistingeerde dame waar we van huren, met zijn hond Pepsi. Hij glimlacht, knikt terwijl zijn bruine blote bast en zwarte dikke haren glanzen in het licht. Hij heeft geen haast. Ook zijn lachende ogen dragen het blauw van de zee in zich. Hij veegt het strand. De dag is begonnen.

Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.

 

 

Ontsnappen II

Ze zegt  ‘wat wil je eten?’ De essentie
van leven, voeden, geven. Ik weet het niet

hoe te blijven bestaan. Bruin brood en water?
We spelen zusjes, ik bouw een vlot. Jij bent

niet meer de oudste. Alles is nu anders.
Je zegt ‘stop’ als we afdrijven. ‘Stop!’

Maar het helpt niet. We zijn op drift geraakt.
‘Het maakt me niet uit’ zeg ik ‘wat we eten.’

 

Meisjes

Arm meisje.
Een meisje op school deed alsof ze gestalkt werd. De stalker zou vanalles over haar en haar vriendinnen weten. Dus ook over mijn dochter. De berichtjes werden getoond en met verhitte stemmetjes besproken. De berichtjes waren expliciet – zit je lekker te eten met je vriendinnen?
De stalker wist kennelijk wat ze op dat moment aan het doen waren, wat ze aten, misschien zelfs wat ze zeiden. Dus hij of zij kon hen zien en afluisteren!?
Maar wie was het dan?
Het werd het gesprek van de dag. Doodeng. Maar ze zouden elkaar beschermen. De vriendinnen.
Moesten ze de politie inschakelen? Ouders erover vertellen? Het nummer bellen?
Het meisje zei dat ze het allemaal niet durfde, dat ze het nummer op had gezocht en het niet bestond. De stalker noemde zich A.
Er is een serie die hierover gaat ‘pretty little liars.’ Mijn dochter keek hem ook een tijdje maar moest van ons stoppen, veel te eng en niets voor een gevoelig meisje zoals zij. Ze werd er somber door en angstig.
Nu werd het spel kennelijk live nagespeeld. Zo bleek. En ondanks dat de vergelijking snel gemaakt was, ook door de vriendinnen, leek het voor een aantal toch meer dan logisch dat dit echt gebeurde. Ze hadden het tenslotte gezien op de film. Dit kan gebeuren. Dit is waar je voor op moet passen. Terreur alom.
Gisteravond kwam het er allemaal uit en vertelde ze het verhaal. Ze was doodsbang, ook in huis en wilde niet meer naar school. Bang dat daar iets zou gebeuren.
We probeerden haar er van te overtuigen dat dit vast een misplaatste grap was van het meisje of iemand anders uit de klas omdat het wel heel erg veel lijkt op de betreffende serie.
Helaas werkt een hoofd van tien niet zo en wilde de slaap niet meer komen, overal was de stalker, ofwel A. Met grote bange ogen keek ze naar de schaduwen aan het eind van de kamer en bleef tegelijkertijd benoemen dat we niets mochten doen want dan werden de anderen misschien boos. Ze zat gevangen in het vriendinnen-web.
Vandaag maar even mee naar school gegaan. Het betreffende meisje zag ons en trok haar conclusies. Ze viel meteen aan en begon tegen mijn meisje maar ook tegen mij dat zij al lang had gezegd dat het niet echt was en dat iedereen dat wist. Haar stem werd bij elke zin hoger en scherper. De mesjes begonnen te snijden.
Ik zag mijn dochter wit wegtrekken terwijl ze haar schoudertjes omhoog trok en een stapje achteruit deed. Het meisje ging door; ‘Nu krijg ik van alles de schuld. Ik krijg altijd de schuld. Iedereen wist dat het fake was.’
Ik sloeg mijn arm om mijn dochter heen en probeerde de tirade te stoppen. Het meisje werd een tornado en pas toen de juf de gang in kwam lopen en de deur opende van het lokaal vertrok ze de klas in. Ik sprak met de juf en realiseerde me te laat dat kennelijk buiten ons gezichtsveld de tornado haar kansen pakte. Vriendinnen moesten worden overtuigd en messen geslepen. Wie was hier schuldig? Zij toch niet?
Na het gesprek liepen de juf en ik de klas in en daar stonden ze, een hele groep meiden onder leiding van de tornado om mijn meisje heen die met dikke stille tranen hen aankeek. Een spervuur aan verbaal, schel geweld werd er over haar heen gegooid, onder aanvoering van de tornado. Zo zielig. Ik riep haar en ze kwam met grote verdrietige ogen naar me toe. De juf zag de chaos in de klas en riep ‘en nu is het klaar, iedereen zitten.’ Ik trok mijn meisje kort mee naar de gang en nam haar hoofdje in mijn handen ‘meisje het ligt niet aan jou! Je doet niets fout. Laat dat je niet aanpraten. Goed onthouden.’ En kuste haar. Ze antwoordde met een trillend knikje en glipte het lokaal weer in. Ik keek door het raam het lokaal in. En zag de roofdiertjes op hun stoel. Oh arme. Met een zwaar gemoed liep ik weg de trap af en hoopte stilletjes dat de juf het op zou kunnen lossen.
Ja, ik ben blij dat mijn meisje zo goed gelovig is en vol vertrouwen in de waarachtigheid en goedheid van anderen en dat ze ten alle tijden haar vriendinnen steunt maar oh jee, meisjes. Meisjes. Alle meisjes en vrouwen zullen dit denk ik herkennen; de druk, de grillen, de intriges, de sluwheid en het gemene van meisjes onderling, op deze leeftijd.
Je zal er maar midden inzitten.
Gelukkig is het bijna vakantie.