Ruimte

 

Mijn dochter wilde even Ru-Pauls Drag Race kijken. Dit had ze bij een vriendin gezien en vond ze leuk. We keken het een tijdje en ik vertelde dat ik weet dat een goede vriend A en zijn vriendje het ook kijken. Dat ik via hen er al over gehoord had. ‘
Ja,’ zegt ze ‘ik denkt dat homo’s dit wel leuk vinden omdat ze het herkennen. Ik denk dat die Drag Queens namelijk ook vaak homo zijn.’
‘Nou niet altijd,’ zeg ik ‘sommigen zijn ook bi of misschien zelfs hetero, dat zei die ene Drag Queen namelijk net.’
‘Bi?’ Vraagt ze.
‘Ja, dat je op jongens en meisjes verliefd kunt worden,’ zeg ik ‘zoals ik en heel veel anderen.’
‘Oh dat,’ zegt ze ‘ik denk dat ik dat ook ben.’
‘Ja?’ Vraag ik ‘waarom denk je dat?’ ‘Nou, nu val ik nog wel meer op jongens maar later denk ik dat ik ook wel op meisjes val. Ik vind ze namelijk wel vaak heel mooi en ook grappig.’

Ik knik, dat vind ik ook en wat heerlijk om dan niet in een hokje te hoeven denken. Wat is er nou mooier dan vrij te zijn in wat je voelt voor iemand. Om straks wel te zien op wie je verliefd wordt.

‘Je kunt ook niet weten op wie je verliefd wordt,’ zegt ze ‘dat weet je pas als het gebeurt.’

Wijze woorden.
Ik wens iedereen die ruimte

Keilen

Terwijl we moe als uitgevallen kleren
ons laveren op het witte vlak
met bleke zeilen trekken aan de uren
en slierten benen lenen aan elkaar

varen we handen over een zelfde deinen
luisteren we hoe stil achter de gordijnen
een dichtgetrokken horizon
de dag laat glijden over de rand

Hoe hoofden zich verankeren
zwaarder dan de stenen
die je zuchtend gooit in de gladde nacht
waarna de kringen vallen in ons denken
bezwerend zinken tot de bodem

fluisteren – morgen weer een dag –

De sleutel [vervolg]

De sleutel werd niet gevonden.
Nadat ik al een paar dagen met mijn inmiddels best lange en dus ook best zware tienjarige dochter door de stad had gecrost omdat haar fietssleutel verdwenen was en ik mezelf voor de twaalfde keer het hoge bruggetje op de Brouwersgracht op zag zwoegen, bedacht ik dat het tijd was voor de slijptol.
Normaal gesproken roep ik dan de hulp in van mijn steun-en-toeverlaat maar die is nu even niet voorhanden. Met een handige man in huis is de vraag bijna geautomatiseerd ‘kun jij even…Wil jij even…Er is een probleempje…’
Stiekem geniet ik ervan dat dit nu niet kan.
Ik houd van klussen. Ik ben er lang niet zo goed in als hij maar redde me zonder hem eigenlijk ook best goed.
Terwijl ik de brug afrol kriebelt er iets in mijn buik, ik verheug me op de slijptol.
Thuisgekomen ga ik meteen op zoek. Ik loop de trap op naar de werkkamer waar in een hoek het gereedschap ligt. – Nou ja ‘ligt’ er staan wat kratjes waar het gereedschap, na een dag klussen, in verdwijnt. Van enige ordening is geen sprake. –
Ik worstel wat kratjes door, open wat gereedschapskoffertjes en ja, daar ligt hij, de slijptol in ruste. Ik glimlach en til hem er zorgvuldig eruit. Ik weeg hem in mijn hand en bekijk het mechanisme. Zwaar en mooi. Het mechaniek ziet er niet erg anders uit dan een boor dus dat moet lukken.
Als cadeau voor mijn slagen van de theaterschool kreeg ik van mijn ouders een boor. Ja, een boor. Ik wilde heel graag een boor. Ik herinner me nog het gevoel toen ik het groene koffertje zag en open maakte, hoe de boor daar lag als krachtige medestrijder voor al mijn leuke plannetjes in huis. De kleine hulpstukken ernaast waarmee ik de muren te lijf kon gaan, ware euforie. Het beste cadeau ever!
De volgende ochtend vertrek ik met mijn dochter achterop, een verlengsnoer en de slijptol, op oorlogspad. [Ik heb voor de zekerheid nog even een YouTube filmpje bekeken en op het laatste moment een veiligheidsbril in de tas gegooid.]
Op de fiets vraagt mijn dochter ‘kunnen we niet toch beter op papa wachten?’ ‘Nee, natuurlijk niet liefje, ik kan dit ook. Mijn moeder, jouw oma zei altijd – als iets het niet doet dan maak je het open en kijk je of je het op kunt lossen-, dit is net zoiets. Dit moet even opgelost.’
Op de school aangekomen kus ik haar zachte wangen en aai nog even door haar blonde manen. Gesteund door het citaat zie ik haar vol vertrouwen naar binnen lopen en check ik onderwijl of er niet te veel ouders voor de deur hangen. Het is rustig, het is al laat, de school is begonnen. Ik sjouw haar fiets naar de voordeur en zoek binnen een stopcontact voor het verlengsnoer. Ik draai de fiets om en zet haar op het stuur en zadel. Ik sluit de slijptol aan, zet de veiligheidsbril op en start de tol. Het scherp zoemende geluid vult de straat en behendig plaats ik het blad op de ronding van het slot. De oplichtende vonken vliegen door de lucht en ik voel de warmte en de kleine zachte tikjes van het weg geslepen ijzer tegen mijn wangen. Deze kant is door. Ik begeef me vakkundig naar de andere kant en zet de tol weer aan, plaats de schijf en geniet van het geluid en het vuur. Het stukje ijzer valt op de grond en ik zet de tol uit. ‘Altijd fijn hè een beetje slijpen’ zegt de vader die voorbijloopt. ‘Ja’ zeg ik terwijl ik de bril zelfbewust omhoogschuif, ‘altijd fijn.’

De sleutel

 

Mijn dochter was haar fietssleutels kwijt. We hadden al overal gezocht maar ze niet gevonden. Het was op school gebeurd. Ik had de school uitgeplozen en de juf en conciërge ernaar gevraagd maar zonder resultaat. Teruglopend naar mijn eigen fiets bedacht ik me dat de sleutels misschien wel bij de school om de hoek waren afgegeven.

Om de hoek zit een school waar middelbare scholieren die het op andere scholen niet hebben gered terechtkomen. Het zijn niet zozeer leerlingen die slecht kunnen leren maar vooral ‘moeilijke’ leerlingen. Leerlingen die om wat voor een reden dan ook, extra zorg nodig hebben. Ze komen s’ochtends aangelopen met hun capuchon over hun hoofd getrokken zodat hun ogen nauwelijks zichtbaar zijn. Sommigen met  een zak chips  in hun hand. Ze hebben geen haast om naar school te komen. Regelmatig is er geduw en getrek in de smalle straat en af en toe een gevecht. Een enkeling groet terug als ik in het voorbijgaan ‘goedemorgen’ zeg. De juf in mij wil toch die lach op hun gezicht toveren. Soms lukt dat. Al is het vaak maar een klein lachje.

Ik loop het smalle zijstraatje in waar de school zit en besluit te vragen of de fietssleutel bij hen is afgegeven. Ik parkeer mijn fiets terwijl een aantal jongens me passeert om de school binnen te gaan. Ze kijken langs me heen met een verveelde blik. Ze hebben er duidelijk zin in vandaag.

De grote glazen deur is op slot. Ze bellen aan. Ik loop met de vier jongens mee naar binnen.

Achter de deur is een klein voorportaaltje met daar weer achter een wat grotere hal. In de hal, meteen links is een raampje naar een afgesloten glazen ruimte, hier lijkt de administratie te zijn. Een jonge vrouw loopt er druk rond. In de hal staan twee mannen van boven de veertig. Eén man is Surinaams, de ander kan ik wat moeilijker plaatsen maar lijkt Turks. De mannen doen me denken aan de zilverrug gorilla in Artis. Ze kijken, zijn er, zien alles en zullen niet opzij gaan. Ze negeren mij maar ik weet dat ze me al van verre gezien hebben.

De Turkse man heeft een lijst in zijn hand.

Ik wacht naast het raampje van de admnistratie want wat me meteen duidelijk is, is dat niemand hier nu echt tijd voor me heeft. Ik ben beland in de startrituelen van een nieuwe schooldag en die liegen er hier niet om. Ik voel de hoge energie, de totale focus van de mannen en de drukte van de jonge vrouw in de glazen afgesloten ruimte. Hier mogen geen fouten gemaakt worden. Hier ben je alert, gefocust, op je hoede.

De jongens grommen wat voor zich uit, maken hun borsten breed en ijsberen in de ruimte die de twee mannen hun geven. Ze staan geen seconde stil. De capuchons gaan pas af als de mannen hen aanspreken. De mannen zijn breder, stellen vragen en versperren de weg.

‘Heb je je spullen bij je Kelvin?’ Ik hoor het antwoord niet maar zie de jongen zich omdraaien. Hij gromt ‘ Laat me gaan, laat me dan naar huis gaan, ik heb die spullen nu toch niet, dan kan ik hier ook niks.’ Er wordt niet op gereageerd. In plaats daarvan schrijft de Turkse man iets op de papieren in zijn hand. Mannentaal is hier de code. Weinig woorden en veel zwijgend aftasten. Wat wel gezegd wordt is een afgemeten dagelijkse strijd. De jongens weten dat ze van deze mannen nu niet zullen winnen maar iedere dag opnieuw zullen ze het proberen.

Een kleinere jongen wacht voor me bij het raampje van de administratie. Hij heeft zijn rug naar de grotere jongens toegedraaid terwijl zijn schouders moedeloos naar voren hangen in zijn grote jas. Hij wacht. De getatoeëerde armen en de scherpe blik van de magere jonge vrouw achter het glas doen me eerder denken aan een havenarbeider dan aan een administratief medewerkster van een school.  Ik bedenk me dat je hier misschien ook meer hebt aan een havenarbeiders mentaliteit dan de verfijnde skills van een administratief medewerkster.

‘Hé Rory’ zegt ze warm terwijl ze voorovergebogen over een laatje de blik vangt van de kleine jongen met de moedeloze schouders. Hij zegt niets. Haar vingers glijden over de namen op het ladekastje en stoppen bij een laatje in het midden. Ze haalt er een potje uit. Ze draait zich om, loopt de paar passen naar het raampje en draait het potje open. Ze schudt zorgvuldig drie pilletjes in de uitgestoken hand van Rory. Ze draait zich terug, tapt routineus een bekertje water en geeft het aan hem. Dan pas zie ik dat haar handen trillen.

‘Kan ik iets voor je doen’ zegt ze terwijl ze kijkt hoe Rory zijn pilletjes inneemt.

‘Hebben jullie misschien een fietssleutel gevonden of is er een sleutel bij jullie afgegeven’ vraag ik. ‘Sorry, nee’ zegt ze. Haar toon is vriendelijk en behulpzaam maar haar tijd is duidelijk beperkt. Ik bedank en draai me om waar ook de mannen doorwerken in totale focus.

Ik loop naar buiten en denk aan mijn jaren onderwijs. Ik ken deze focus. Ik ken de stress die stapelt door de jaren. Ik ken de passie waarmee deze docenten proberen om deze jonge mensen een nieuwe kans te geven. Ik weet hoe het voelt om door die harde buitenkant heen de pijn bij kinderen te zien en hoe dat je helpt om iedere dag er weer te gaan staan. Dat je weet hoe het zonder jou en je collega’s zal gaan met deze jongens en meisjes en hoe dat je de energie geeft om voor ze te blijven knokken. Ik weet ook hoe het je opvreet. Hoe veel het kost. Hoe je op kunt zien tegen de nieuwe week. Hoe je alle zeilen bij moet zetten om ze steeds weer met kleine zetjes de goede kant op te duwen, te leren dat de wereld niet alleen maar strijd is, niet iedereen een potentiele vijand, het niet alleen maar gaat over het recht van de sterkste, dat ze hun maskers mogen laten vallen en mogen gaan leven.

Ik zou terug willen lopen en deze twee mannen en deze jonge vrouw willen zoenen. Ze zeggen hoe geweldig het is wat ze doen. Ik zou op een stoel willen gaan staan en een speech voor ze willen houden over hoe hard deze stad, dit land, deze wereld, mensen zoals zij nodig heeft. Hoe erg ik het vind dat hun beroep zo ondergewaardeerd wordt. Hoe er te weinig compensatie is voor de hoge werkdruk in tijd of financieel. Maar Ik pak mijn fiets en loop de straat uit richting de gracht want ik weet dat ze er geen tijd voor zullen hebben.

Ze moeten door.

 

Hiep hiep hoera!!

Een paar jaar geleden was ik voor het eerst mentrix van een klas middelbare scholieren. Een hele leuke eerste jaars havo/vwo klas op een school in Almere. Wat ouders zich vaak niet realiseren is dat een mentor heel veel gaat houden van hun kinderen. Je leert ze kennen in al hun kwetsbaarheden, ziet ze hun eerste stappen doen in de grote boze middelbare school wereld en bespreekt de kleine en grote problemen van deze harde schoolwereld, en soms de thuiswereld, met ze. Ze worden een klein beetje ook jouw kindjes.
Op de eerste ouderavond sprak ik de ouders van mijn leerlingen voor het eerst. Er was maar kort tijd aangezien ik op deze avond alle 28 paar ouders zou spreken. Toch was het prettig om even te zien en horen uit wat voor een nest ze kwamen, mijn kinderen.
Die avond ontmoette ik voor het eerst de ouders van B.. Beiden tegen de 50 en breed lachs. Ze waren zonder B. gekomen . Dat had een reden bleek. Moeder had helder blauwe ogen, glimlachte en boog naar me toe, ze rook zoet en fris, de vader schoof vertrouwd een hand op haar smalle rug, ‘ik ben ziek’ zei ze, ‘een paar jaar geleden werd er baarmoederhalskanker bij me geconstateerd. Ik ben toen behandeld en de afgelopen jaren leek het goed te gaan. We hadden hoop maar nu is het terug.’ Ze keek me met haar helderblauwe ogen aan en gaf me de ruimte om haar woorden een plek te geven. ‘We willen dat je dit weet. B. en zijn broers weten alles. Ze bespreken open wat er aan de hand is. We hopen dat je B. hier op school een beetje in de gaten kan houden’. Ik ademde in, schoof mijn handen open naar hen en wist niet meer te zeggen dan ‘jeetje’. ‘Ze glimlachte en zei Ja, zo is het. Sorry dat we je er zo mee overvallen.’
Het gesprek wat volgde was open en intiem. In de korte tijd die we spraken raakten ze me diep. Ze maakten grapjes, betrokken me zonder me echt te belasten. Wisten een luchtigheid in dit grote verhaal te houden.
Bij het weggaan zag ik hoe haar tengere rug zich strekte, hoe ze kracht uitstraalde, een kracht die ik nu, met terugwerkende kracht, nog meer waardeer, nu ik weet hoeveel daarvoor nodig is.
We bespraken de thuissituatie in de klas en B. bleek niet de enige. De leerlingen raakten me diep met de manier waarop ze zo open de pijn en de angst met elkaar deelden die ziekte brengt. Ze zaten in een cirkel, legden hun tienerarmen om B. en elkaar heen op deze vrijdagmiddag in Almere.
Vandaag is mijn zus jarig. 52 wordt ze. Ik denk terug aan deze vrijdagmiddag. Sinds wij te horen kregen hoe de kanker zich verspreidt heeft in haar lichaam is niets meer zeker, alleen vandaag, nu. Nu is ze jarig en dat is zo fijn. Ik dacht deze week na over wat ik haar zou geven en ik realiseerde me dat niets materieels nog waarde heeft. Ik dacht aan Lucebert, dat hij dit begreep en schreef – alles van waarde is weerloos -. Ik dacht aan de cirkel en armen om elkaar heen. Ik dacht aan hoe een van de leerlingen heel wijs vroeg aan B., ‘wat kunnen wij als klas voor je doen? Wat kunnen wij je geven?’ En dat hij zei ‘gewoon, doe maar gewoon, ik vind het fijn als ik er niet de hele tijd over na hoef te denken en hier met jullie kan lachen. Vooral lachen.’
Vandaag is mijn zus jarig! En ik verheug me op het feestje vanmiddag, in het zitten in een cirkel, in armen om elkaar en samen lachen.

 

Finished

Aan het strand op Koh Tao werken vooral Birmezen. Ze komen vrijwel allemaal om geld voor thuis te verdienen. Ze zijn de allochtonen van Thailand. Het zijn vaak zachtmoedige mannen en vrouwen, jongens en meisjes, die hard werken. Dat is in ieder geval wat wij tot nu toe zagen.
In Thailand is een baan van sochtends tot savonds laat en zeven dagen per week niet ongewoon. Ze verdienen daarmee vaak niet veel meer dan 7.000 Bath per maand, zo’n 225 Bath per dag (wat omgerekend zo’n 6 a 7 euro is) en kost en inwoning. Één dag per maand zijn ze vrij en één keer per jaar krijgen ze een biertje. Soms, als ze mazzel hebben, betaald hun baas een maand vrij, de tijd om naar huis te gaan, door.
Dit lage loon en de lange dagen werk weerhoudt Tee, Mauo en Aung en de vele andere bijzondere mensen die we tegen kwamen in de eet-tentjes op Koh Tao, er echter niet van om met een brede lach en een groot enthousiasme Leloup over haar haren te aaien, ons te vertellen over hun familie thuis, onvermoeibaar grapjes te maken en zo steeds weer alles als vanzelfsprekend uit de kast te trekken om ons ons welkom te laten voelen.
Zo aten we vaak bij Aung, of beter gezegd bij het strand tentje waar Aung werkt. Aung is een tengere jonge man met donkerbruine ogen, weerbarstig zwart haar en blote voeten. Hij heeft twee t-shirts vertelt hij enthousiast. Voor hij werkt wast hij de één voor de volgende dag en trekt de ander aan. Hij lacht een grote mond witte met bruine tanden vrij als hij het vertelt.
‘S ochtends ontbijten we vaak bij Aung. Met zijn enthousiasme bepaalt hij de ‘mood van de dag’. Hij verwelkomt ons met stralende ogen, lacht en herhaalt onze voorkeuren ‘fres Coffee Yes? Orange jui no suga no wate, Yes?
Als we klaar zijn met eten of als hij iets van de tafel wil opruimen zegt hij ‘sorry, this isse aa youa finished, yes?
Mooier Engels is er niet door alles wat hij met deze beleefd bedoelde zin, en alles onder de woorden door, zegt.
We houden van Koh Tao en missen de sfeer en al de Koh tao’enaren nu al. Juist deze warmte maakt Koh Tao zo fijn.
Waarschijnlijk was dit ook de reden waarom ik vandaag zo moest lachen om Leloups woorden.
We hadden gedoucht, ons gekleed voor de terugreis naar Nederland en de tassen waren dicht. Rick liep al vast vooruit naar de lift van het hotel terwijl hij riep ‘ kijk nog even onder het bed Man, voor de zekerheid’. De deur naar de gang stond open waar Leloup geduldig op me wachtte met een grote tas.
Terwijl ik de rolkoffer tegen het bed plaats en door mijn knieën zak om onder het bed te kijken hoor ik haar vrolijke stemmetje ‘sorry, this isse aa youa finished, yes?.
Ik kijk op en zie haar onschuldige dromerige gezichtje me aankijken. Het was er zichtbaar uitgefloept. Terwijl ik naar haar kijk, zo op mijn knieën, schiet ik in de lach en herhaal ”sorry, this isse aa youa finished, yes? Zij lacht nu ook.
We trekken de tassen zwalkend vab het lachen naar de lift en herhalen ‘sorry, this isse aa youa finished, yes? ‘sorry, this isse aa youa finished, yes? ‘

Sorry, Yes, de vakantie isse aa youa finished, yes!

Etsen van zijn

Nog twee dagen hier, op Koh Tao. Het eiland waar we zo’n dertien jaar geleden per ongeluk neerstreken en nooit meer helemaal vertrokken. Ik probeer de dagen te etsen. Ze te kerven op de koperen platen van mijn zijn. Zodat ik ze er thuis uit kan halen en stiekeme afdrukjes van kan maken op donkere dagen.
Ik hoef geen plaatjes van een blauwe zee met een wit strand boven mijn bed, dat is het niet, het is iets anders.
Ik kerf alvast deze nacht en deze ochtend;
De wind ruist om ons één kamer huis en glipt met lange vingers door de open ramen. Aait mijn gezicht en de haartjes op mijn blote benen. Ze mengt met het golvende geluid van de zee en wedijvert met de rustige slagen van de ventilator boven ons bed.
Het huis is niet groot en van hout en als je anders kijkt zou je het armoedig kunnen noemen maar voor ons heeft het alles wat we nodig hebben. Een kleine badkamer met lauwe douche, een groot en een klein bed waarop we onze blauwe lakens hebben gespreid en de grote veranda. We wonen hier op het strand. De zee ligt 20 meter voor ons als een al net zo gespreid laken.
Tegen de ochtend wint de wind en weet ze de kamer te koelen, net voordat de hanen kraaien. Dan klik ik de ventilator uit en wordt alles rust. Ik draai me op mijn zij, hoef nu niet meer op mijn rug de wind te vangen voor verkoeling en doezel weer in slaap.
De start van een nieuwe dag.
Een zacht strijkend licht wat ons wekt en ieder op zijn eigen tijd op laat staan. We praten niet. Niet nodig. We hebben na drie weken de zee in onze ogen net als alle mensen die hier wonen. Wie als eerste wakker is opent de deur naar de veranda waaronder het zachte zand al op onze tenen ligt te wachten en honden in alle kleuren en maten zich nogmaals omdraaien in de prille dag. Alleen de kippen zijn al met hun kuikens aan het scharrelen tussen de huisjes. Kuikentjes die soms al scharrelend in slaap vallen en daardoor hun broertjes, zusjes en belangrijker, hun moeder uit het oog verliezen. We zien ze luid piepend met lange nekjes smiddags tussen de andere kippen. Geen kip of haan die naar ze kraait. Soms vinden ze hun moeder terug, soms vindt een ander dier hen eerder.
We gaan zitten, blijven nog even staan, rekken ons uit of hangen op de houten veranda balustrade en luisteren al kijkend naar de logica van de ontwakende dag.
Het oneindige, oneindige kabbelen van de zee in al haar schakeringen blauw met grijs en wit waarop de enkele vroeg vertrokken duikboten zich aftekenen aan de horizon. De orde van de dagen hier. We trekken geen schoenen aan. Er zijn geen ochtendhandelingen nodig voor ‘naar buiten gaan’.
Langs het huisje loopt de Thaise klusjesman van de oude gedistingeerde dame waar we van huren, met zijn hond Pepsi. Hij glimlacht, knikt terwijl zijn bruine blote bast en zwarte dikke haren glanzen in het licht. Hij heeft geen haast. Ook zijn lachende ogen dragen het blauw van de zee in zich. Hij veegt het strand. De dag is begonnen.

Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.

 

 

Ontsnappen II

Ze zegt  ‘wat wil je eten?’ De essentie
van leven, voeden, geven. Ik weet het niet

hoe te blijven bestaan. Bruin brood en water?
We spelen zusjes, ik bouw een vlot. Jij bent

niet meer de oudste. Alles is nu anders.
Je zegt ‘stop’ als we afdrijven. ‘Stop!’

Maar het helpt niet. We zijn op drift geraakt.
‘Het maakt me niet uit’ zeg ik ‘wat we eten.’