Het woeste westen

Een korf met vijf kinderen zwiert door de lucht,
een nestje koekoeksjongens kwetteren, gooien
ledematen over elkaar, als mikado
zijn ze, worden kwaad als een draaiend blad

in de wind, vallen zonder zwaartekracht
in geldingsdrang. De grote jongen naast me
lacht, hij heeft ze verzameld, hier gebracht
‘zo weinig mannen in dit vak, het is een gemis’

lacht met witte tanden, trots
de woorden lichter. Hij is er tenslotte,
laat ze hun handen en benen bewegen, geeft

niet zoveel gas tegen, smeert tranen
en brandnetels weg met paarse bloemen,
kijkt of ik hem wel zie, de grote jongen,
ruwe bolster in kinderschoenen, ‘mevrouw,

het is wat de wereld zegt, we zijn met te weinig hier.’

Ik denk aan de koekoek, waar zij nu is, zo laat
ze haar jongens voeden door een stadse mus
en zal ze straks vragen hoe het met ze gaat,
‘ik laat ze wat makkelijker

huilen’ zegt hij dan waarschijnlijk enthousiast.

Zo vliegt een nest met jongetjes hier voorbij
en koekoek ik, aan mijn zij, de grote jongen.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.