Ein neuer krieg

Het was zo’n dag waarop niemand de straat op gaat, niet als het niet echt moet en juist daarom was mevrouw Witzen rustig, er zou geen bezoek komen.
Niet dat ze andere dagen wel kwamen, maar vandaag kwamen ze in ieder geval niet.
Haar zwarte kraalogen focusten op de druppels op het raam, hoe ze daar lagen, stil, en er één langzaam zigzaggend tussen de anderen doorgleed om iets verder naar beneden ook stil te vallen.
Erachter, op het door de regen glanzende asfalt van de smalle straat, lagen donkere plassen. Alles was donker vandaag. Donker en stil. Alsof er zich een ramp had voorgedaan, een derde wereldoorlog.
Ein neuer krieg, dacht ze terwijl ze wat naar voren schoof in de oude groen fluwelen fauteuil, dat zou wat reuring brengen. Met haar magere handen, waarop de blauwe aders duidelijk zichtbaar waren onder de dunne huid, streek ze over de afgesleten plekken op de armleuningen.
Aan de overkant opende het meisje van nummer acht haar deur.
Ze boog dichter naar het raam terwijl het meisje haar fiets naar buiten trok; een paars geschilderde hoge herenfiets. Ze droeg vandaag een geel-zwart gestreepte legging waarin haar benen nog langer leken, daaronder grote werkman-schoenen. Haar blonde haren staken wild uit een knot boven op haar hoofd en ze had weer haast.
Ze had altijd haast, dacht Mevrouw Witzen, zoals alleen twintigers haast kunnen hebben met die alles verslindende honger naar meer doorgehaalde nachten, meer goedkope wijn om de wereld tot stilstand te brengen, meer bewegende, pulserende lichamen die in elkaar opgaan, meer woorden, discussies om duidelijk te maken wie ze zijn.
Ze trok haar voeten naar zich toe over het bruine kleed en duwde zich omhoog tot vlak bij het raam. De kou kroop over haar gezicht,in de groeven die daar waren gaan liggen, het kroop tussen haar dunne lippen haar mond in.

Ze tikte met krachtige, korte bewegingen op het raam. Het meisje had net haar been achterlangs over de fiets gegooid en draaide haar gezicht naar haar toe. Ze was een engel, zo mooi. De hoge jukbeenderen in het smalle gezicht, de lichte ogen.

Ze tikte nogmaals. Het meisje stak een hand op en lachte naar haar. Niets fijner dan haar lach, een rij witte, jonge tanden.  Nu moest ze snel zijn, anders zou ze doorrijden, dat wist ze, net als gister en eergister.

Ze draaide met een snelle beweging de zilverkleurige hendel van het grote witte raam omhoog en trok hem open. Ze stak haar met moedervlekken bedekte arm naar buiten en wenkte het meisje.
Ze was snel genoeg geweest.

‘Dag mevrouw Witzen, wat een regen hè,’ zei het meisje terwijl ze de capuchon van haar korte jackje over haar hoofd trok. De regen had al een paar druppels op haar wangen geplaatst. Ze was nu dichtbij genoeg. Ze was van haar koers afgeweken en overgestoken. Kijk hoe mooi haar zachte wangen met de rode blos.

‘Ze zijn weer niet gekomen, afgelopen zondag.’
‘Weer niet? Had u ze verwacht?’
‘Je mag niets meer verwachten heden ten dage.’
‘U had zich vast verheugd?’
‘Je kunt beter even binnen komen, das ist villeicht besser, het regent zo hard.’

Fout, ze voelde het meteen.  
‘Het spijt me mevrouw Witzen, ik heb haast.’ Ze wachten op me. Ik moet om 11 uur op de opleiding zijn.’ 
Ze knikte, ‘haast, de laatste keer dat ik haast had was aan het einde van de krieg. Ze waren bang voor me geweest maar toen niet meer. Ik hoorde ze al van verre komen. Ze joelden.’

‘Ik moet echt gaan Mevrouw Witzen. Ik kom binnenkort een kopje koffiedrinken, of u bij mij, oké?’ Ze wachtte het antwoord niet af, stapte op, gleed met een zetje van haar andere voet de stoep af en was met een paar stevige slagen al aan het einde van de straat. Terwijl ze behendig een oortje van haar koptelefoon in haar oor duwde keek ze nog één keer achterom en zwaaide.

‘Ich warte auf dich,’ prevelde mevrouw Witzen en hoorde hoe de laatste geluiden verdwenen met het sluiten van het raam.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.