Een gewone zaterdag

Er is niets speciaals aan deze zaterdag. Het is geen jaar na het overlijden van mijn zus. Het is ook geen ander mooi rond aantal weken of maanden na haar dood. Het is een gewone zaterdag.
Als ik je straks tegenkom; buiten op de markt, bij de supermarkt zal je zien dat ik er ook gewoon uitzie. Dat denk ik tenminste, dat jij dat zal zien. Ik heb namelijk goed geslapen. Ik heb gedoucht en leuke kleren aan, al is dat subjectief, zoals dit hele relaas straks subjectief en zelfs relatief zal zijn. Het is een gewone dag. Al is het geen gewone dag zoals ik die kende voordat mijn zus overleed.

Voordat zij overleed kende ik mensen van wie een geliefde was overleden. Ook was ik zelf al wel wat vrienden kwijtgeraakt. Dat deed pijn, een pijn die op een gegeven moment een plek vond. Ik had ook gelezen over verdriet. Ik kon het herkennen in de gezichten van de achterblijvers en zag het soms in opgetrokken schouders of gespannen handen.
Ook had ik al begrepen dat verdriet niet makkelijk te delen is. Erover praten is moeilijk, alle clichés daarin zijn waar – woorden schieten te kort – de ander weet nooit echt wat je voelt etc.
Ik herinner me dat ik me soms onhandig voelde t.o.v. mensen die iemand verloren hadden; hoe troost je diegene? Praat je er wel of juist niet over? Wie ben ik t.o.v. diegene? Sta ik dichtbij genoeg om iets te kunnen betekenen?
Nu sta ik aan de andere kant. Er is geen vraag meer over hoe het voelt. Ik weet hoe er inderdaad geen antwoorden zijn op de eerdere vragen. Ik weet namelijk niet of jij dicht genoeg bij mijn moeder en vader, de grote liefde van mijn zus of haar kinderen, dicht genoeg bij mijn zusje of bij mij staat om het te begrijpen. Ik weet ook niet of het het juiste moment is als je vraagt hoe het echt gaat.
Ik weet wel dat ik er heel vaak niet over wil praten. Dat ik het gesprek afkap omdat het onzinnig voelt om een ondeelbaar verdriet aan een ander uit te leggen. Ik weet ook dat ieder weldenkend dier, zo ook de mens, het liefst ver weg van ziekte en de dood blijft. Dat voel ik tussen ons hangen als ik je erover vertel. Dat begrijp ik.
Tegelijkertijd staan de paar keer dat vrienden de moeite namen om er iets over te zeggen, of misschien vooral de hand in mijn nek, de ogen in mijn ogen, in mijn geheugen gegrift. Kleine momentjes die kennelijk toch ergens van belang zijn. Al weet ik dat ik niet te troosten ben, dat rouw en missen je op een onbewoond eiland plaatsen. Helaas hetzelfde eiland als waar mijn zus waarschijnlijk eerder ook al zat. Veel groeit hier niet en op de horizon zakt onophoudelijk een zon in de zee.

Mijn dagen gaan door. Dat is vaak fijn. De machinerie van dagelijksheden; de wekker, de ochtend hectiek van brood smeren, tassen en jassen, het licht door de straat zien vallen, een lekke band, het schrijven, de feestjes van vrienden, de begroeting van de buurvrouw, de kat die in de avond op je schoot kruipt, de slaap. Zulke dingen. Maar, aan al deze dagelijksheden zitten nu scherpe randjes. Kleine uitstekende randjes waaraan ik meerdere keren op een dag blijf haken. Het is niet te zien hoe ik vastloop, hoe zij er steeds even is en hoe ik iedere keer weer afscheid moet nemen en dat dat pijn doet. Hoe ik gewend ben geraakt aan het gevoel van tranen tegenhouden, de pijn in je keel die dat oplevert, het samenknijpen van je maag en de spanning in je jukbeenderen.
Nee, zeg niet dat het beter zal gaan, dat het zal slijten. Ik weet dat het goed bedoeld is maar ik heb niet veel aan zulke woorden. In de afgelopen maanden is er niets gesleten. Het zal niet slijten en het hoeft ook niet te slijten. Ik ben bezig om ermee te leren leven, dat wilde ik je zeggen. Dat is wat ik doe tussen alle dagelijksheden door, op dit soort dagen. Gewone dagen. Dagen zoals deze gewone zaterdag.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.