Een ander soort hoogtevrees

We staan waar het gras kraakt en het meer, zilverwit
in de nacht, een roofdier is dat wacht op een prooi.

Ijzingwekkend mooi, zeg je later.
Nu ben je stil.

Vlak voor het midden is een wak, het water ademt
bolt en golft. Als ik ernaar kijk moet ik erheen
                                          – iets met een ander soort hoogtevrees.

In mijn mond wonen krantenberichten.
Ik pers mijn lippen samen. Er glipt er een omhoog
vindt in mijn ogen een weg naar buiten. Het is

een meisje/poppenogen/luchtbellen
cirkelend rond haar bevroren mond.

Zwem naar het donker
niet naar het licht!
wil ik roepen.

Ik kijk weg als jij fluistert dat je de bosuil hoort schreeuwen
op haar jacht, hoe mooi. ‘Het is een lokroep –
alles roept hier maar wat,’ zeg ik zacht

en als je dan lacht, zie ik hoe uit jouw openbrekende borst
duizenden uilen ontsnappen door de nacht.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.