De avondboot

We zouden de avondboot niet nemen maar deden het toch. Waarom? Ja, omdat dat soms zo gaat. We waren moe, misschien daarom, of omdat het zoveel goedkoper was?
We waren in Thailand; ik, mijn vriend Rick en onze zoon Bonk van 5. Bonk had de treinreis van Bangkok naar de kust geslapen en bij de zee aangekomen bespraken we de opties; wachten tot de volgende ochtend en de snelle catamaranboot pakken of, net als de locals met de nachtboot gaan, die over een paar uurtjes vertrok?
Het werd de nachtboot.
Het was rond 22.30, het sein werd gegeven. Onze rugzakken werden door de kleine sterke mannen behendig aan boord gegooid, net als de samengepakte balen kleding, de bakken fruit en groente, de kleurige bagage van onze medereizigers. We wiebelden over de loopplank de kleine maar robuuste boot op tezamen met de locals. Alles ging snel. We manouvreerden ons tussen de vele etenswaren en andere koopwaar door naar een rustig plekje op de zijkant van de boot. We zaten perfect. Onze rugzakken naast ons. Ik plaatste mijn voeten tegen de open reling waar tussendoor ik perfect de zee kon zien en Bonk nestelde zich, al bijna slapend, tussen ons in. Wat wilde ik nog meer. Ik lachte moe maar trots op de verworven plek, naar Rick. Hij lachte terug. ‘Veel beter dan die toeristen shit, toch!’ Ik knikte. De tocht zou zo’n 6 uur duren, dus we hadden alle tijd om te genieten.
Daarna ging alles snel. De boot vertrok, de grote bak koerste richting open zee en de locals verdwenen benedendeks. ‘Zijn daar bedden denk je’ vroeg ik Rick, maar hij dacht van niet. ‘Het is beter zo. We gaan niet beneden zitten, dan zien we niets.’ zei hij ‘We zitten hier goed. Bonk kan tussen ons in slapen.’ Ik knikte. Ik ben geen held op zee en laat me graag geruststellen op zulke momenten. Achteraf had ik beter naar mijn gevoel moeten luisteren en naar benedendeks moeten gaan want wat volgde was een ware hel.
Terwijl we de haven uit voeren en de boot, rustig, snorde, viel de nacht als een deken over ons heen. Het werd donker en niet zomaar donker, het werd zwart. We zagen niets meer. De reling voelde opeens akelig dichtbij en open. Ik besefte hoe kwetsbaar we daar zaten met een kind wat nauwelijks kon zwemmen. De zee onder ons was al lang geen rustig blauw vlak meer maar was getransformeerd in een grommend zwart dier. Ik trok Bonk naar me toe en rilde. Met het invallen van de nacht werd er een hele andere zee wakker. Een zee die ik niet kende. De boot, die zo veilig had geleken, veranderde in een speelgoed boot-je. Op de open vlakte buiten de haven, zwol de wind aan en zweepte het water op. Ze begon aan een gruwelijk kat en muis spel met ons. We waren gereduceerd tot speelgoed van een wreed dier. Alsof er met ons gelummeld werd, zo gooide ze ons over. En terwijl de boot met grote klappen de golven opving, hield ik Bonk krampachtig tegen me aangedrukt. Het kleine lijfje rilde en voelde klam en koud. Het zoute water gutste met lange gladde armen over de reling en trok aan hem. En alsof het nog niet genoeg was begon het te regenen. Zwiepende striemende regen. Regen die me de laatste centimeters zicht ontnamen. Regen die me desoriënteerde, regen die al mijn woorden op at en me onverstaanbaar maakte.
Waarom gingen we niet naar benedendeks hoor ik je denken? We konden niet meer. We durfden niet meer. We hadden geen tijd om te denken. We waren aan het overleven. Het luik was ergens meters bij ons vandaan, wist ik, maar ik kon het niet meer zien. De regen en de golven hadden alles spiegelend glad gemaakt en er was geen ander mens meer op het dek, we waren alleen, overgeleverd aan iets wat zoveel sterker was dan wij. Er volgden zes tergend langzame uren waarin ik, tussen de golven door, Bonk inpakte in alles wat hem warm zou kunnenhouden. Hij viel in slaap. We bonden zo goed en zo kwaad het kon de rugzakken aan de spijlen en dekte zo de gaten af. Uren lang zag ik hem in het water verdwijnen, onder de spijlen doorschieten, meegetrokken worden door 1 van de golven. Ik kon aan niets anders denken dan aan hoe ik achter hem aan zou springen en het niet zou helpen. Hoe we, beiden, opgeslokt zouden worden door dit monster. Ik hield hem stevig vast. Hij zou me niet ontglippen. ‘Alles komt goed’ fluisterde ik, ‘alles komt goed’. Klappertandend, doorweekt en koud tot op het bot, zag ik, helse uren later, de zon opkomen en het dier zich verstoppen onder een blauw gestrekte deken. In de verte waren de contouren van het paradijs al te zien. We hadden het gered. Maar nooit, nooit meer, zal ik vergeten wat ik die nacht zag, wie er slaapt onder dat idyllische blauwe vlak.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.