Prooi

Hij zit naast me aan de andere zijde
kijkt als een hert door de coupe
gekneusde papieren in zijn lange handen
die nergens lang blijven
ze strijken langs de randen
volgen trillend de lijnen van zijn mond
wrijven knieën
omvatten zijn hals
pakken wat valt weer van de grond

Ter Apel in Arabische tekens
magische vormen als tussenstations
voor deze reis

grote bruine ogen kruisen mijn blik
ik mompel
‘pas op voor de jagers’
hij hoort me niet maar slikt
‘Is this the right way, is this oké’
ik knik
maar denk
nee
wat weet ik tenslotte van dit soort vragen
ik leef niet in het wild

 

Wat jij

Daar is dan, de dag, twee honden bijten
elkaar en wij, we kijken. Niets is er waar.
Ze bekwijlen elkaar, bekwispelen
walging, wat een nijd en woorden,
kan ik hier niet kwijt. We volgen Amerika
tijdens, en bijna zoet gebracht, lijkt alles waar.

In een wit huis staat een bed
wat genadeloos wacht, op een lange nacht.
Vast verzint en begint aan dromen
voor een nieuwe dag,
waar verder nog niemand aan heeft gedacht.

Beter wordt het ook niet.

 

 

Wat ik niet vertel

Ik breng haar haar dromen,
wikkel ze in een lach
en laat de dag verwaaien door kieren.
Ze kust me zacht, zwaait een zuchtje na,
en legt dan knoopjes in haar rozige oren.

Ik vertel haar niet
dat ik eigenlijk waak,
dat ik het slot ben
voor de draak.

Dat daar buiten,
in gruwel geslacht,
of zelfs veel wreder,
de dagelijkse nachtmerrie wacht.

 

De school

Er waren meerdere trappen die ieder een andere verdieping
bereikten. Ik heb ze niet allemaal gelopen. Ik koos er één. Ze
waren stuk voor stuk steil en ook deze. 37 treden van
beneden vandaan. Boven was het donker en stil. De trap
eindigde bij een deur waarachter de leegte van een open
ruimte me overviel en ik ging liggen op de vloer. Koud beton
voor een verhit hoofd.
Beter kun je niet teveel wensen als er ook al niet veel wordt
beloofd. Trappen zouden ergens toe moeten leiden, de moeite
van het beklimmen waard. Het gegeven van omhoog wekt
hoop.
Ik vond er een nieuwe slaap. Al waren er wel meerdere trappen
die een andere verdieping bereikten.

Op de vlucht

Hij heeft een onrustige blik, zittend op het puntje van het treinbankje met het, me inmiddels bekende, a4tje met instructies in zijn hand.
Ik vraag; ‘oké? ‘
Hij knikt. Meer uit ongemak dan dat het kennelijk echt oke is.
Iets later schuift hij naar voren naar het bankje naast me en wijst verlegen op het a4tje.
Is dit de trein? Vraagt hij zonder woorden.
Ik beantwoord hem in het Engels. Hij begrijpt me niet.
Ik wijs naar de grond en steek mijn duim op.
Hij snapt het maar dan zie ik zijn tranen. Hij huilt. ‘Sorry’ zegt hij.
Ik probeer te troosten maar weet niet hoe.
Hij staart uit het raam terwijl de tranen over zijn wangen blijven rollen.
Hij veegt ze weg.
Hij veegt ze nog eens weg. Ze blijven komen.
Ik geef hem mijn flesje spa en mijn mandarijnen. Ik weet dat het maar eten is…..
‘Sorry’ zeg ik.

‘De vluchteling’ wordt langzaam een abstractie, een onderwerp voor een diepgaand gesprek met vrienden….behalve als je naast hem zit. Naast een ander mens die huilt.

 

Wolkenjacht

[Voor Tessa]

Vandaag vertrokken we

weer
op wolkenjacht
donker gepakt boven onze armen
die
om hart
om haar
een schild
voor foute woorden
welke we geen oren wilden geven
niet te vertrouwen
de inhoud die we ervan bezworen
gekruiste vingers
zonder resultaat

Het is er

weer
nu
ons bataljon
van moedige krijgers
noodgedwongen paraat
met stok en zwaard met nieuwe moed
want
Wij zijn niet bang
Wij zijn niet bang
Wij zijn niet bang
samen worden wij

de wind
de storm
die jouw luchten schoont
en klaart
Wij zijn niet bang
Wij zijn niet bang