Rorschach

In de vroege ochtend als alles nog schemert
en niemand zich nog waagt aan het ruime sop,
ligt de straat er verscheurd bij,
haar stenen blakerden zwart onder het kruit, een zwarte inktvlek
om in te verdwalen, Rorschach.

De resten papier kleuren rood, geel en groen,
als confetti; iemand sloeg een pinata stuk
op de weg, strooide lege champagne flessen als markeringen,
iemand verloor een oog of misschien wel drie
maar wie maalt daarom in het land der blinden.

De stad slaapt haar roes, alleen de buurman op 1 hoog
strijkt zijn hand langs het gordijn, zoekt kieren
om te kijken vanachter zijn schimmenspel,
een schaduw van te vroege gedachten, uitgeslapen eenzaamheid.
Ik knik en zie zijn hoofd bewegen.

Zie, de duizendknaller staat in flarden wat na te brallen
terwijl mijn hoofd maalt over wat ik vergat.
We zouden moeten vegen,
zo kun je geen feestjes verlaten.

 

 

 

 

Om half negen

In de ochtend is mijn stad een dorp,
waar we groeten als de wegen kruizen,
stappen kinderen uit te kleine huizen
tussen tassen en een gesmeerde boterham.

Fietsen vreemden van de dag,
joviaal groetend, baby’s over
en bij het cafe, rookt de schoonmaker een sigaret,
zijn werk is grotendeels verzet, zelfs nu al.

Wat verder draait een witwollige meeuw
schuin zijn kop, zwart oog omhoog,
checkt lucht en straat voor gevaar,
je weet maar nooit, graait grijpend in grauw plastic
de resten van de stad, hij pikt,
dit is zijn plek, ik weet het, ik groet zijn lef.

Auto’s hangen loom aan de randen van de kade,
de bestuurders bleven thuis, tussen wat wol
of ander leven. Het is ochtend in onze stad,
de was hangen we niet buiten,  groeten doen we
wel, als wegen kruizen.

 

 

 

 

 

 

 

Ongelukje

Het laatste glas pak ik van tafel, de set
is al lang niet meer compleet.
Ze glip gleden uit gladde handen of tolden,
over randen,
net als jij.

Ik streel langs lange witte lijnen, lees in braille
de bloemen op haar gladde glazen huid. Toost dan, hoopvol,
op het leven, maar drink het er vervolgens onderuit.
Met het water aan de lippen, zeg ik;
‘dit is de laatste’ ,
en laat ik los wat nu nog rest.

In de val,
nog voor het breken,
hoor ik je lach,
jij vindt het best,
jij was al weg.

 

 

[Voor Abdi, vriend]

Cowboys en indianen

Alles was licht en de dagen waren toen als weken,
de straten warm, en de sloten als een zachte deken.
Wij stommelden in schoenen, nauwelijks nog aan,
naar buiten, leerden elkaar roepen
door op onze vingers te fluiten.

We bekommerden ons niet om lege buiken,
thuis was om de hoek, maaltijden werden geroepen,
net als een warm bad of onverwachts bezoek.

Belangrijker wij – de cowboys en indianen –  verdeelden
de straat, met de spanning sneden wij nieuwe werelden
in de trillende lucht. We renden met vliedende benen,
een spreeuwen-zwerm in dansende vlucht,
eenmaal dood kon je altijd herrijzen, toen nog wel,
we hielden geen maat.

Uren, dagen, werden weken en zo de jaren die verstreken.
We groeiden meters, leerden nieuwe spelen
en keken, naar hoe we allen moesten gaan.

Nu open ik soms de ramen, fluister in stille straten
over bezoek of brood, met ogen turend
naar een vlucht spreeuwen, een verdwaalde cowboy,
indiaan of sloot.
Maar het is al ver na zevenen en in deze stad
herrijst niemand nog uit de dood.

 

 

Don Quichote

Ik ben niet zoals jij. Jij roeper
van vuur. Met tot de tanden je wapens.
Je zwaait vleugels, als glazen, kapot op de vloer.
Draait geen handen om voor strijd. Krijgt voedsel uit alles
in verzet. Jij jager, jij hakker, jij boer
zonder veld. Jij bent als verloren
zonder zaden en boog.
Het ontglipt je de dagen. De noodzaak voor brood.
Dus bestrijd je de wind,
molens op je weg.
Pas als in wolven gehuil ik roep
om al wat gaat breken,
wanneer de dieren zijn gedood en de akkers verwoest,
zaai je nieuwe zaden in mijn hoop
op betere dagen.

 

 

Al zegt dat niets

Wat ik wel kan
in een meute, massa, mensen,
lopen,
op een drukke dag,
tegen de stroom in,
eindigen.

Wat ik wel kan
is, onder ogen door huid,
er niet zijn.
Ik kan, blijven denken, zo in ganzenpas,
hoe het met rechte rug, beter is.

Wat ook kan is
dat zij het beter weten,
de meute, massa, mens
dat ze roepen ‘pas op er zijn dieven onder ons’
en ik zal zeggen
dat ik hier nooit kom,
dat het toeval is
dat ik ga.

Dat ik dat zeggen kan
dat ik wel ga,
niet vlucht,
dat ik, net als zij,
ook blijf.

Dat ik dat kan.

 

En dat je het daar dan mee moet doen

Om de hoek
lag fluisterend de zondagochtend door de straat, slordig weggevouwen
feestgedruis druipt af, de hoek om. Een T-shirt met korte mouwen
hangt vragend over een gevallen fiets, een half blikje bier bleef achter,
iemand vergat zichzelf.
In zijstraten verstopt het laatste verlangen zich zuchtend achter de gordijnen.
Deuren worden gesloten en huizen werpen hun baljurken uit
nu de straatverlichting dooft. Ze staan met naakte muren,
wachten rillend op de nieuwe dag, dit uur.
En dan ik, nooit zo vroeg hier, wel laat, passeer,
twee onrustige ballonnen
op de stoep, lange draden verloren geluk, blaffen
hun verlatingsangst naar de enkele voorbijganger, naar mij.
Hoor ze roepen ‘hier zijn we, hier is het feestje’,
deinend, vastgeketend aan de stoep. Een omhelzende
5 en 2 verwisselen van plaats.

Ik kijk weg, opzij, in winkelruiten
die op dit uur, zo zonder licht, alleen je spiegelbeeld verkopen
en dat je het daar dan mee moet doen.

 

Daar zit je dan, te gast, zonder dat je naar huis kunt.

Wat neem je mee als je vlucht? Geld, belangrijke papieren, je telefoon, eten? Niet veel in elk geval.
Ik probeer me vaak voor te stellen hoe dat moet voelen, hoe het is om te moeten vertrekken. Ergens besluit je te gaan, dat je niet anders kunt en dat je moet gaan. En dan ga je.

Maanden later kom je aan, in een vreemd land, met je zomerschoenen en zomerjas, nog geen bed voor de nacht, nog geen eten.
Met een hoop mazzel, waar je waarschijnlijk dankbaar voor bent tot in je tenen, heb je de reis overleeft en ben je aangekomen in Nederland. Je vindt een opvang en je durft, misschien, voor het eerst te huilen, even los te laten. Je bent veilig. Je mag zelfs mee met de aardige dame die je naar de verzamelplaats brengt, of het winkeltje zoals de anderen het noemen. Daar liggen spullen, spullen die mensen, die iets konden missen, daar brachten voor mensen zoals jij, mensen zonder iets. Je krijgt een jas en mag ondergoed, een shirt en een broek uitzoeken. Iets later kun je douchen en krijg je eten. Je lacht zelfs even, misschien.
Het zal nu allemaal beter gaan. Je denkt aan je familie. Binnenkort zal je ze weer zien. Morgen ga je vragen of ze kunnen achterhalen hoe het met ze gaat, waar ze zijn. Morgen, maar eerst moet je slapen. Zo moe ben je.
Maar de volgende dag is er niemand die een antwoord weet en de dag erna ook niet.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niets meer te hebben, alleen dat wat je krijgt. Om zoveel te moeten missen dat je hart voortdurend huilt, om nog wat later een groot pijnlijk gat te worden zonder einde of begin waar je om heen gaat lopen, of van weg gaat lopen. Waar beelden in zitten van spelende kinderen, eerste liefdes, bloesem in de lente, de geboorte van je zoon, je lachende moeder maar ook andere beelden, lichtflitsen in de lucht, instortende huizen, je huilende vader. Zoiets denk ik dat, misschien, gebeurt.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om je dagen te vullen met pogingen tot hoop. Om afhankelijk te zijn, afhankelijk zoals een huisdier van zijn eigenaar. Om niet verder te kunnen gaan met leven omdat je geen bouwstenen meer hebt, geen familie, geen bezit, geen werk, geen geld zelfs geen vrijheid.
En dat het dan winter  wordt, zoals nu. Je bent hier al lang. Je telt de dagen maar bij de administratie weten ze het preciezer.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, als je ergens bent waar je niet kunt zijn. Als je plek er niet meer is en er ergens anders, hier, ook geen plek meer voor je is en dat je dat begrijpt. Dat je begrijpt dat je te gast bent en dat je normaal gesproken beleefd op huis aan zou gaan als je merkt dat je aanwezigheid wel genoeg is geweest. Alleen kun je niet naar huis.
Hier thuis, in dit warme huis vol herinneringen, foto’s, tekeningen, sporen van een fijn verleden en daarnaast een zacht warm bed, kasten vol eten, twee snorrende katten en mijn goed doorvoede gezonde kinderen en mijn lief, probeer ik me dat voor te stellen.

Hoe het is als je niet naar huis kunt, dat er geen thuis meer is, dat alles weg is. Je niets liever zou doen dan naar huis gaan omdat alles alleen nog maar missen is geworden en een volgende dag, die komt, steeds weer.

 

Er was eens…

‘s Avonds, als ik binnen stap, omhelst
haar wereld mijn dag. Ze plaatst kusjes
als lichte veertjes en als trofee vangt ze mijn lach.
Ze neemt me mee in haar verhalen, knoopt
haar woorden tot een net. Zo schept ze luchtig,
nieuwe dromen, tot ik zeg: ‘kom, nu naar bed’

Een sprookje zou haar niet misstaan: ik zou
haar gouden haren kronen, het bos
met vogels tooien, de prinses
in haar ontmoeten en de draak voor haar verslaan.

Zo verdwaal ik in verhalen, knoop mijn woorden tot een net.
Schep ik luchtig nieuwe dromen, tot zij zegt:
‘Kom, je bracht me toch naar bed.’