Wachten op een thuiskomst

laat me zijn
breekbaar samenraapsel van huid en bot
met wangen om van binnen op te bijten
ogen om achter te verdwijnen, een buik
om in te huilen en onverwachte plaatsen
om in te schuilen van schedel, schouder
en het achterste van de tong

laat me zijn
een beven zonder harnas van wimpers
en tanden, lang uitgestrekte binnenwanden,
vuurgedoopte handen, zenuwbanen
waar ieder bericht zich op lijkt te keren,
tot waar het begon

laat me
wachten op een thuiskomst,
een herhalende hartslag of andere tekens
van leven, als alles weer langer dan verwacht
ergens onderweg blijft breken

Het zal komen

In de avond regende het
zo hard dat ik dacht:
ik moet naar buiten,
doorweekt raken, huid tot bot,

zenuwen bloot, daar zo staan
dat het druipt of liggen, languit in een plas
met mijn oren onder water. Dat kinderen
met rode, rubberen laarsjes zullen springen,

zingen, het licht, glinsterend, zal breken
ter hoogte van mijn buik. Diep duikend
druppels zich zullen rekken, in ovalen
onderwater tenoren langs mijn hoofd.

Alles zal komen zoals het valt.

 

Tegen beter weten

 

Laten wij ook met gelijke capuchons,
dicht over onze oren, de wereld gaan ontdekken.
Dan kopen we kaarten om te sturen
en andere voor de weg.

We kijken naar de niet belopen lijnen;
jij wil dan rechts en ik toch links
(het zal niet anders gaan)
ook daar zijn natuurlijk vele wegen
om ergens, wel of niet, te komen.

In navolging noemen we het ‘het heerlijke verdwalen’
en ook zullen we ons gelukkig prijzen met de nieuwe dag.

Als markeringen op de kaart
vragen we anderen ons te fotograferen
zodat we straks kunnen beweren ‘dat zijn wij
die daar zo staan.’

 

Op de schaal van Richter

Ik heb je niet gemist zoals voorheen
met water in de mond
ik draai mijn handen open, op tafel
als smal tere dieren. Hoor
hoe mijn stem maar ook het licht
scherper schijnt nu je niets zegt

Vogels zwijgen als een aardbeving komt, las ik
[horen ze het komen?]

huizen zullen vallen, meubels breken
maar ook de tijd, de tijd

Als je op staat trek ik mijn handen terug
nerven liggen bloot op het gladde blad
het licht blijft, we kijken hoe het een breuklijn
snijdt. Ik leg mijn handen om je oren
vraag of je houden van kunt horen
je zegt dat je me niet verstaat

 

Keilen

Terwijl we moe als uitgevallen kleren
ons laveren op het witte vlak
met bleke zeilen trekken aan de uren
en slierten benen lenen aan elkaar

varen we handen over een zelfde deinen
luisteren we hoe stil achter de gordijnen
een dichtgetrokken horizon
de dag laat glijden over de rand

Hoe hoofden zich verankeren
zwaarder dan de stenen
die je zuchtend gooit in de gladde nacht
waarna de kringen vallen in ons denken
bezwerend zinken tot de bodem

fluisteren – morgen weer een dag –

Etsen van zijn

Nog twee dagen hier, op Koh Tao. Het eiland waar we zo’n dertien jaar geleden per ongeluk neerstreken en nooit meer helemaal vertrokken. Ik probeer de dagen te etsen. Ze te kerven op de koperen platen van mijn zijn. Zodat ik ze er thuis uit kan halen en stiekeme afdrukjes van kan maken op donkere dagen.
Ik hoef geen plaatjes van een blauwe zee met een wit strand boven mijn bed, dat is het niet, het is iets anders.
Ik kerf alvast deze nacht en deze ochtend;
De wind ruist om ons één kamer huis en glipt met lange vingers door de open ramen. Aait mijn gezicht en de haartjes op mijn blote benen. Ze mengt met het golvende geluid van de zee en wedijvert met de rustige slagen van de ventilator boven ons bed.
Het huis is niet groot en van hout en als je anders kijkt zou je het armoedig kunnen noemen maar voor ons heeft het alles wat we nodig hebben. Een kleine badkamer met lauwe douche, een groot en een klein bed waarop we onze blauwe lakens hebben gespreid en de grote veranda. We wonen hier op het strand. De zee ligt 20 meter voor ons als een al net zo gespreid laken.
Tegen de ochtend wint de wind en weet ze de kamer te koelen, net voordat de hanen kraaien. Dan klik ik de ventilator uit en wordt alles rust. Ik draai me op mijn zij, hoef nu niet meer op mijn rug de wind te vangen voor verkoeling en doezel weer in slaap.
De start van een nieuwe dag.
Een zacht strijkend licht wat ons wekt en ieder op zijn eigen tijd op laat staan. We praten niet. Niet nodig. We hebben na drie weken de zee in onze ogen net als alle mensen die hier wonen. Wie als eerste wakker is opent de deur naar de veranda waaronder het zachte zand al op onze tenen ligt te wachten en honden in alle kleuren en maten zich nogmaals omdraaien in de prille dag. Alleen de kippen zijn al met hun kuikens aan het scharrelen tussen de huisjes. Kuikentjes die soms al scharrelend in slaap vallen en daardoor hun broertjes, zusjes en belangrijker, hun moeder uit het oog verliezen. We zien ze luid piepend met lange nekjes smiddags tussen de andere kippen. Geen kip of haan die naar ze kraait. Soms vinden ze hun moeder terug, soms vindt een ander dier hen eerder.
We gaan zitten, blijven nog even staan, rekken ons uit of hangen op de houten veranda balustrade en luisteren al kijkend naar de logica van de ontwakende dag.
Het oneindige, oneindige kabbelen van de zee in al haar schakeringen blauw met grijs en wit waarop de enkele vroeg vertrokken duikboten zich aftekenen aan de horizon. De orde van de dagen hier. We trekken geen schoenen aan. Er zijn geen ochtendhandelingen nodig voor ‘naar buiten gaan’.
Langs het huisje loopt de Thaise klusjesman van de oude gedistingeerde dame waar we van huren, met zijn hond Pepsi. Hij glimlacht, knikt terwijl zijn bruine blote bast en zwarte dikke haren glanzen in het licht. Hij heeft geen haast. Ook zijn lachende ogen dragen het blauw van de zee in zich. Hij veegt het strand. De dag is begonnen.

Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.

 

 

Ontsnappen II

Ze zegt  ‘wat wil je eten?’ De essentie
van leven, voeden, geven. Ik weet het niet

hoe te blijven bestaan. Bruin brood en water?
We spelen zusjes, ik bouw een vlot. Jij bent

niet meer de oudste. Alles is nu anders.
Je zegt ‘stop’ als we afdrijven. ‘Stop!’

Maar het helpt niet. We zijn op drift geraakt.
‘Het maakt me niet uit’ zeg ik ‘wat we eten.’