Het woeste westen

Een korf met vijf kinderen zwiert door de lucht,
een nestje koekoeksjongens kwetteren, gooien
ledematen over elkaar, als mikado
zijn ze, worden kwaad als een draaiend blad

in de wind, vallen zonder zwaartekracht
in geldingsdrang. De grote jongen naast me
lacht, hij heeft ze verzameld, hier gebracht
‘zo weinig mannen in dit vak, het is een gemis’

lacht met witte tanden, trots
de woorden lichter. Hij is er tenslotte,
laat ze hun handen en benen bewegen, geeft

niet zoveel gas tegen, smeert tranen
en brandnetels weg met paarse bloemen,
kijkt of ik hem wel zie, de grote jongen,
ruwe bolster in kinderschoenen, ‘mevrouw,

het is wat de wereld zegt, we zijn met te weinig hier.’

Ik denk aan de koekoek, waar zij nu is, zo laat
ze haar jongens voeden door een stadse mus
en zal ze straks vragen hoe het met ze gaat,
‘ik laat ze wat makkelijker

huilen’ zegt hij dan waarschijnlijk enthousiast.

Zo vliegt een nest met jongetjes hier voorbij
en koekoek ik, aan mijn zij, de grote jongen.

 

 

het later ‘een weekendje weg’ noemen

De sleutel krijgen, deuren openen
naar een stille kamer. Een huis
van anderen je eigen maken. De meubels
schuiven, het bed horen, kraken, kijken
waar je licht kan laten

komen. Hoeveel passen tot
het raam. Te weinig spullen
om kwijt te raken. Schilderijtjes
die betekenisvoller zijn
dan gedacht, of onnozeler,
gehangen door handen, zorgvuldig

gekozen. Een ruimte die ik niet ken
binnenstappen en dan thuis komen
voor een paar dagen.

 

Van wat ik achterliet

In dat huis met warme muren
staat een breed bed met witte lakens
een sinaasappelpers en sinaasappels, broodrooster
besteklade vol en pannen, mand vol mandarijnen
brood van vandaag, dadels en rozijnen
een grote bank daarnaast een tafel
voor bijvoorbeeld thee of nootjes
bij de teevee en films om uit te kiezen
kussens om in te vallen en boeken
foto’s in de mappen, een sjaal gekregen
het suikerpotje van oma, die er niet meer is
de kerfjes in het hout waar de kinderen groeiden
de wasmachine en haar geluid, schoenen
meerdere paren.

Toen pakte ik de tas en koos waar we op zouden leven
de pinpas, de paspoorten, de telefoon, een mes,
één foto.

Niet alles
dat was te zwaar.

De last van moeten kiezen en verliezen
dat nu alles mist als gaten in de dag
nooit meer zullen zijn zoals we waren.

De bank voor de rust in de dagen.
De kussens voor een zwaar hoofd.
De stilte in de avond,
het zoeken naar kerfjes in het blanke hout.

Wat ook zou kunnen

We weven angst door ons zweet
wat verbindt, alleen samen
blijft het vliegtuig in de lucht
ligt de volgende straat om de hoek

jij weet hoe en wat van formulieren
ik heb zat pennen in mijn tas
we tikken met vingers op de ramen
reisbestemmingen, de routes van de bus

als de roltrap, stijl, ons meters diep brengt
de muren van zand zich boven ons beramen
op de val, stort dat niet in, door jou en mij
zijn wij, een huis voor de wolf

die we tatoeëerden, als een taal in onze lichamen
we overlegden veel, we moesten weten, om te weerleggen
of iets een waarheid was of andersom
uitgelegd ook zou kunnen.

Dat schreef ik op terwijl jij de sloten inspecteerde
de kinderen zich omdraaiden in hun bed
jij zorgde dat je op de hoogte was van het laatste nieuws
ik zorgde dat we steeds weer thuis kwamen

dat was goed,

tot ik boodschappen deed in een verre stad
de straten er niet kende, toch de weg wist
zonder jou en dat jou dat eigenlijk niet verbaasde
je de volgende dag zelf de brug over ging

even alleen te zijn, daar straten vond die ik niet
had gewezen en thuis kwam
toen bleek de angst de leugen of andersom
uitgelegd ook te kunnen

dat was mooi,

of niet.

Kind

Je  bent een beweging, draait van binnen
een lang been en legt je hand tegen een oor.
Misschien droom je mij, in het daveren
van mijn hart terwijl ik lucht voor je verzamel.

Dat ik jou kneedde, tot in detail en we smal verbonden waren
Daarna duwde je je los of ik jou. Voor iedereen zichtbaar werden we
twee. Keek ik mij aan door jou en knipten anderen ons door
nog voor je huilde.

Nu bepaal jij mij terwijl ik wacht
op veilig thuis, hoor jouw geluiden
op de trap, houd ons hoog in jouw val
sync hartslagen door de dagen,

wat mij was, daar sta jij, wat steeds meer van jou werd.
Waar eerder ik was, toen wij, werd jij, jij.
En dat, dat veranderde alles. Tot in detail.

Beter gelaten

Het was nog grijzer ochtend
dromen weefden als flarden
mist door nog onbepaalde dag

binnensmonds wortelden woorden
dat altijd alles, dat altijd tegen toch
dat het nooit meer maar dat dat
kwam door dat jij
of ik,

zo stond ik zwaarder dan Lot
zouter dan zee huilde
niet, naaide sloten om ieder begin

zweeg luider, stemde doof, zo
dat niets, dat het beter bleef
zonder dat jij,
of ik.

 

Zodat je je herinnert waar je al was

Op sommige dagen buigt het leven krom,
als de houten tafel in teveel regen.

Het is de zwarte kat die op me wacht
als speeltje uitspeelt tegen de dag en anderen
tot alles onomkeerbaar duister is geworden,
ik de glazen in de porseleinkast heb gebroken,
al het geluk van de wereld nodig is
om een andere dag te beginnen.

Op sommige dagen lopen mijn gedachten een doolhof
tegen blinde muren in het hol van de Minotaurus.

Een onherroepelijke val.

Op sommige dagen blijken er veel van dit soort dagen
of blijkt dat ik ze tel.

Zoiets

Als dan het stille van je blote voeten op de grond, of bijna,
onder je koude benen, zich krult om je tenen, niet bewegen,
zittend met je rechte rug naar de wereld,
en de wervels zich stapelen als een pilaar voor je smalle hals.

Waar je niet buigt, opzij,
je hoofd zo zwaar zal vallen, als,
laat je je handen naast je heupen,
leunen op het bed, zodat alles zo stil.

In het late licht door het raam,
dat aait, door los gevallen haar,
je daaronder ademt en blijft.

Zo moet pijn zijn, weggekropen,
waar je kijkt naar binnen als naar buiten
dat het zwijgt en tijd zich laat verstrijken.