Zo de dagen

Nu je bent gegaan heb ik de deur gesloten
en ben gaan zitten, dat moest wel

voorzichtig langs de scherpe randen ademend
ben ik tegen de ochtend opgestaan

heb de lakens gladgestreken, de vuile was gedaan
bloemen gezaaid in de pannen, de lege borden
je lege mok

ik heb zelfs de buren nagezwaaid
toen ze langs de ramen reden
niet te lang maar nonchalant

ik hoef geen koffie
wil geen bezoek om aan te schuiven

ik moet ruimte houden voor als jij je bedenkt
dat gebeurt wel vaker zeggen ze
en dat ik er dan ben

 

 

Ten overvloede

de lente steekt haar prille geuren als meisjesborsten in de lucht
reisleiders staan klaar met bordjes voor hen die willen volgen

maar de stad sloft haar versleten schoenen
trilt als een koude hond buiten de deur van het café
in haar schoot wassen negen duiven zich grijzer
scheppen brede mannen blauwig de winter uit haar aderen
bungelen verdronken fietsen als geruimde herten aan hun haak
slachtoffers van de overbevolkte contouren, haar overdaad

laat je schoenen heel, ontwijk elk bord, pak je fiets
– voor het te laat is – volg niemand anders
dan de wolkenwangen van de zon en ga
voor ze de hekken sluiten, de honger achterna, kom

Voor als je me mist

Ik trek mijn wolfskleren aan en nestel me
op dit onmogelijke uur tussen de dieren
op de bank. Zij slapen nog dus drink ik
heet water en wacht. Straks vertrekken we
ik weet het, ik voel het in mijn benen.
Het dak op.
Daar is iedereen. Zusjes, dieren mijn kinderen
volgen elkaar op de voet. We huilen
naar de maan. De nacht zal rond zijn, blauw en goed.

Nu het warmer wordt

We zouden vogels kunnen zijn, balancerende
vleugelharten in de wind. Ik in jouw kielzog

of jij onder mij in lieglijn koersend op warmte.
We zouden golven kunnen zijn. Jij de zevende

huizenhoog. Ik de vele kleine. Het witte schuim
slaand uit onze dijen, zoute lichamen

in valversnellingen brekend op de kust.
We zouden de ander kunnen zijn. Mijn huid als jas

over de jouwe. Schreeuwend uit onze mond
een verwisselbare ik. Zoveel dragelijker dan

in de luwte van de formatie of de wederkerigheid
van het getij zouden ik en jij, zwevend

op thermiekbellen in de vlucht, schuimkoppig
in de windgolven van de zeegang, meer zijn
dan de uitkomst van het golfgetal.

 

Om tanden op te breken

Van de dagen die niet lukten
verstoppen we de sporen

de vuile was terug in de trommel
opgewaaid stof onder het kleed

jouw woorden slik ik in, kauw
de mijne in behapbare stukken

voor de kinderen om op te geven
als ze in onze wangen bijten

welke reden braken we in letters
we wilden het misschien te goed

te veel, te precies of, ook wij
bleken feilbaar, ongewild met spijt

ik pel alvast de schellen van hun ogen
leg toekomstige tranen droog

laat ze jaren liever geleden, herinneringen
zoet genoeg om tanden op te breken