Vrijheid

Afgelopen zomer liep ik met Leloup vanaf het campingtoiletblok over het zandpad terug naar de tent. Het was een zwoele avond, de krekels knisperden om ons heen en onze slippers klakten aangenaam ontspannen onder onze gebruinde blote voeten. Het begon al te schemeren en de maan hing al zichtbaar boven het pad.
‘Denk je dat Job op jongens valt of op meisjes?’ vraagt ze. Ik zeg dat ik dat niet weet maar dat ik denk dat de meeste mensen op beiden verliefd kunnen worden, het ligt er maar aan wie je tegen komt, wie je het liefst vindt.  Van jongs af aan probeer ik mijn kinderen vrij te laten in hun keuze door geen, één  kant op, bepalende antwoorden te geven.
Mijn onderliggende idee hierover is dat ik denk dat mensen niet persé op het ene of op het andere geslacht vallen. Dat je dit uiteindelijk misschien wel weet  als je wat ouder bent, of je op jongens of op meisjes valt of op allebei maar dat je dat zo jong hoogstwaarschijnlijk nog niet weet. Ik zeg dus ook nooit; ‘als je later een vriendje hebt…’ , ik zeg ‘als je later een liefje hebt…’

‘Ik val ook op jongens en meisjes’ zegt ze als we aangekomen zijn bij de tent.
Rick is net koffie aan het maken op het geïmproviseerde keukentje op de klep van de aanhanger en hoort de laatste zinnen.
‘Ik niet’ zegt Rick,  ‘ik val op meisjes’.
‘Gadverdamme’ zegt ze.
‘Hoezo gadverdamme?’ vraag ik.
‘Nou MEISJES!’
‘Oké, vrouwen’ zegt Rick.
“VROUW-EN?’ vraagt ze en kijkt hem boos aan.
We nestelen ons onder de zichtbaar wordende sterren hemel met de koffie en een chocomel voor Leloup en lachen. Heerlijk, vrijheid, iets om te koesteren.

 

 

De scholen Odyssee

Leloup, mijn dochter, is 10 dat wisten jullie misschien al. Vorige week zijn we gestart met het bezoeken van scholen ook al zit ze nog maar in groep 7. Je kunt deze klus niet in 1 jaar klaren dus is het gemeengoed in Amsterdam om te starten in groep 7 met deze odyssee.
Het systeem om op een middelbare school toegelaten te worden was 6 jaar geleden bij Bonk al niet makkelijk, toen moest je uit alle scholen er 1 kiezen, daar schreef je je voor in, om vervolgens te moeten afwachten of je niet uitgeloot werd door de grote boze loot-computer. Zo ja, dan was er een tweede ronde met wat achteraf schooltjes mogelijk of een plaatsing op een school buiten Amsterdam. Niet leuk.
Nu is het allemaal niet veel beter geworden naar mijn idee, al zegt men van wel, nu bekijk je zoveel mogelijk scholen en maakt een top 15, jawel een top 15! Ook nu gaat de computer er daarna weer mee aan de haal en probeert iedereen te plaatsen op een zo hoog mogelijk geplaatste school van je keuze. Dit zou moeten leiden tot een plaatsing in je top 5. Natuurlijk lukt dit niet altijd smaalt de info van het net maar het is een streven en volgens hen vinden de meeste kinderen uiteindelijk wel ergens hun plek.
Kinderen zijn flexibel dus dat zal ongetwijfeld gebeuren en ik weet ook geen beter systeem maar paradoxaal voelt het wel.
Ik weet niet waar te beginnen, laat staan dat Leloup dit kan. Je bezoekt scholen, weegt zorgvuldig de voors en tegens af en bouwt straks een top 15. Natuurlijk verbind ze haar hart aan een aantal van de scholen en wil ze uiteindelijk eigenlijk alleen maar naar die ene school, zo gaat dat. Ik voel me ook een verrader als ik haar steeds vraag om alle voors en tegens af te wegen terwijl ik weet dat ik haar daarmee dieper in haar keuze trek, die waarschijnlijk dus van weinig waarde zal zijn. Wat leer ik haar daarmee denk ik terwijl we de geëxalteerd open dagen bezoeken in de opgeleukte scholen.
Zou ik haar hier niet beter buiten kunnen houden? Een eigen top 15 maken [als het dan toch moet] en haar vervolgens, na de loting, vertellen dat het de leukste school is geworden ongeacht of dit dan de 1e, 5e of 10e plaats is?
Of zal ik haar helpen haar positieve gedachten te sterken, haar magisch denken stimuleren, door te vertellen dat de uitslag van deze computer loting alleen maar het juiste op kan leveren. Dat je altijd komt waar je moet zijn. Zou dat haar start niet vele malen leuker maken? Uiteindelijk is het leven toch wat je er zelf van maakt en waar je het niet zelf kan bepalen is een positieve insteek vaak de enige goede overlevingsstrategie.
Terwijl ik dit schrijf huppelt ze vrolijk met een vriendin langs me naar de keuken. Ik hoor haar zeggen ‘kom we gaan naar de vliegzaal, jullie hebben vandaag vliegles, leg jullie toverstaffen neer en we beginnen met een radslag’
Is denk dat ik op zoek ga naar dat muurtje op het station, ik weet zeker dat het er is als je goed zoekt, het muurtje waar je doorheen kunt rennen, je in een trein kunt stappen naar de leukste school die er bestaat. Je onderweg snoepjes kunt kopen die je laten brullen als een leeuw of als een stoomlocomotief en waar iedereen in de coupe, vanzelfsprekend, zijn huisdier bij zich heeft. Een school waar je vrienden kunt worden met draken en de juiste toverspreuken leert om te overleven in deze wereld. Een school waar je leert vliegen.
Dat lijkt me bij nader inzien het beste plan.
 
 
 
 
 
 
Expectation is the root of all heartache [william Shakespeare]
 
 
 
 

Anders is het te koud

  • Gisteren stond ik met Leloup nog vlug even in de Zara voor een outfit voor haar kerstdiner van vanavond op school. Ze groeit hard en de jurkjes van vorig jaar passen niet meer. Op de meisjesafdeling stonden we vervolgens te twijfelen bij een superzacht bolerootje toen ik naast me een mannenstem hoorde ‘wat denk je van dat tule jurkje met die geborduurde bloemetjes en haar zwart fluwelen schoentjes?’ Een andere mannen stem, iets lichter, antwoordde ‘ja mooi maar misschien wat koud’. De eerste ging verder ‘als we dat doen dan is zo’n bolerootje er wel mooi bij, ook wat warmer inderdaad, denk je niet?’
    Ik voelde aan de zachte stof en realiseerde me dat er iets vervreemdends was aan dit gesprek, normaal gesproken hoor je niet zo vlug twee mannen overleggen over dit soort zaken. Nieuwsgierig geworden bleef ik luisteren, waren dit twee vaders die samen nadachten over de outfit van hun dochter? Ik spitste mijn oren.
    Leloup had één van de vestjes gepakt, ‘hmm het is blauw, het lijkt zwart maar is blauw’ zei ik hardop. Leloup keek met me mee en we draaiden het vestje in verschillende hoeken in het licht. Ik voelde de mannen meekijken. ‘Is het blauw?’ zei de ene man tegen de ander. Ook zij pakten een vestje op en bekeken het aandachtig. Nu toch wel heel bewust van de ongewone situatie, keek ik op, twee lange mannen, goed gekleed en met frisse gezichten stonden naast me, onze blikken kruisten elkaar, ze glimlachten met zachte ogen. Twee paar ogen met een zelfde blauw en twee keer een glimlach met een zelfde rust. De één was in de vijftig, schat ik, de ander twintig misschien. Ze leken op elkaar. Vader en zoon.
    Nu een dag later ben ik nog steeds geraakt door de vanzelfsprekendheid waarmee zij overlegden. Hoe zij daar samen op pad een outfit uitzochten voor een klein meisje, misschien het zusje van de jongen. Hoeveel zachtheid en liefde sprak uit hun eigenlijk alledaagse gesprek. Alledaags, ja, de inhoud, maar hoe bijzonder om een vader en zoon dit gesprek te horen voeren. Hoe mooi als voorbeeld van de hedendaagse man maar ook de hedendaagse vader en zoon relatie, of hoe die kennelijk kan zijn. Hoe bijzonder in zijn eenvoud. Hoe warm en samen. Hoe mooi als voorbeeld en hoe hoopvol voor de toekomst zoveel zachtheid en aandacht. Wat fijn om dat als cadeautje te krijgen in de Zara op een doordeweekse dag.

Doe is normaal joh

Maar het gevaarlijke is dat zo stapvoets, voor veel mensen onzichtbaar, het allemaal steeds normaler wordt. Nog niet zo lang geleden was het een hoog goed als je de beschaafdheid had om rekening te houden met elkaars persoonlijke voorkeuren en eigenaardigheden, van hoofddoekjes en religie tot roken of een seksuele voorkeur.

Inmiddels zijn we langzaam verschoven naar ongeschreven nieuwe sociale regeltjes en wetten, naar het zogenaamde recht om te mogen eisen dat een ander rekening houdt met een algemeen heersende norm die steeds minder eigenaardigheden en anders zijn toestaat, datgene wat de meerderheid ‘normaal’ vindt. Gesteund door het internet en deze nieuwe regeltjes mogen we met zijn allen opeens politieman spelen en elkaar veroordelen.

En we vinden dat, vooral dat, steeds normaler in plaats van de geweldige schoonheid en kracht van diversiteit en de beschaafdheid om rekening te houden met elkaar.

 

 

Daar zit je dan, te gast, zonder dat je naar huis kunt.

Wat neem je mee als je vlucht? Geld, belangrijke papieren, je telefoon, eten? Niet veel in elk geval.
Ik probeer me vaak voor te stellen hoe dat moet voelen, hoe het is om te moeten vertrekken. Ergens besluit je te gaan, dat je niet anders kunt en dat je moet gaan. En dan ga je.

Maanden later kom je aan, in een vreemd land, met je zomerschoenen en zomerjas, nog geen bed voor de nacht, nog geen eten.
Met een hoop mazzel, waar je waarschijnlijk dankbaar voor bent tot in je tenen, heb je de reis overleeft en ben je aangekomen in Nederland. Je vindt een opvang en je durft, misschien, voor het eerst te huilen, even los te laten. Je bent veilig. Je mag zelfs mee met de aardige dame die je naar de verzamelplaats brengt, of het winkeltje zoals de anderen het noemen. Daar liggen spullen, spullen die mensen, die iets konden missen, daar brachten voor mensen zoals jij, mensen zonder iets. Je krijgt een jas en mag ondergoed, een shirt en een broek uitzoeken. Iets later kun je douchen en krijg je eten. Je lacht zelfs even, misschien.
Het zal nu allemaal beter gaan. Je denkt aan je familie. Binnenkort zal je ze weer zien. Morgen ga je vragen of ze kunnen achterhalen hoe het met ze gaat, waar ze zijn. Morgen, maar eerst moet je slapen. Zo moe ben je.
Maar de volgende dag is er niemand die een antwoord weet en de dag erna ook niet.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niets meer te hebben, alleen dat wat je krijgt. Om zoveel te moeten missen dat je hart voortdurend huilt, om nog wat later een groot pijnlijk gat te worden zonder einde of begin waar je om heen gaat lopen, of van weg gaat lopen. Waar beelden in zitten van spelende kinderen, eerste liefdes, bloesem in de lente, de geboorte van je zoon, je lachende moeder maar ook andere beelden, lichtflitsen in de lucht, instortende huizen, je huilende vader. Zoiets denk ik dat, misschien, gebeurt.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om je dagen te vullen met pogingen tot hoop. Om afhankelijk te zijn, afhankelijk zoals een huisdier van zijn eigenaar. Om niet verder te kunnen gaan met leven omdat je geen bouwstenen meer hebt, geen familie, geen bezit, geen werk, geen geld zelfs geen vrijheid.
En dat het dan winter  wordt, zoals nu. Je bent hier al lang. Je telt de dagen maar bij de administratie weten ze het preciezer.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, als je ergens bent waar je niet kunt zijn. Als je plek er niet meer is en er ergens anders, hier, ook geen plek meer voor je is en dat je dat begrijpt. Dat je begrijpt dat je te gast bent en dat je normaal gesproken beleefd op huis aan zou gaan als je merkt dat je aanwezigheid wel genoeg is geweest. Alleen kun je niet naar huis.
Hier thuis, in dit warme huis vol herinneringen, foto’s, tekeningen, sporen van een fijn verleden en daarnaast een zacht warm bed, kasten vol eten, twee snorrende katten en mijn goed doorvoede gezonde kinderen en mijn lief, probeer ik me dat voor te stellen.

Hoe het is als je niet naar huis kunt, dat er geen thuis meer is, dat alles weg is. Je niets liever zou doen dan naar huis gaan omdat alles alleen nog maar missen is geworden en een volgende dag, die komt, steeds weer.

 

Bang in het donker

Ik bracht net Leloup naar bed en ze was een beetje bang, ze is geen held in het donker. Ik stelde haar gerust en vertelde haar over Ronja, 1 van mijn lievelingsverhalen , Ronja de Roversdochter van Astrid Lindgren, een onevenaarbaar mooi verhaal. Het is een verhaal over een roversfamilie in het midden van Zweden. De roversdochter Ronja is een meisje met een wilde bos zwart haar en koolzwarte ogen. Ze groeit op tussen de roversbende, haar roverhoofdman vader en als enige andere vrouw, haar eigengereide moeder die in haar eentje alle rovermannen in het gareel houdt. Om de burcht waar ze wonen ligt een uitgestrekt bos met rotsen, meren, wilde dieren en een sterk stromende rivier. Ik herinner Leloup aan één van de mooiste stukjes uit het verhaal, het moment dat Ronja alleen het bos in wil en haar vader bijna gek wordt van angst. Hij verteld haar waar ze allemaal voor op moet passen, de vogelheksen, de kloof, de trollen, de mistwezens, dat ze niet in de rivier valt. Terwijl haar vader blijft roepen waar ze allemaal voor op moet passen loopt Ronja het bos in. ‘En waar ga je dan nu naar toe’ roept vader haar nog paniekerig na, ‘naar de rivier natuurlijk, waar kan ik anders leren om er niet in te vallen!’
Leloup kijkt me stil aan. Ik zeg ‘er is hier niets om bang voor te zijn, je ligt in een heerlijk bed in een veilig huis,je moet alleen nog wat sterker worden, leren om niet bang te zijn voor het donker en waar kun he dat nu beter leren dan in het donker?’
Ze lacht. ‘Dat is een goeie’ zegt ze, ‘dit wordt mijn nieuwe motto.’
‘Als je wil leren om niet in de rivier te vallen dan kun je dat alleen maar leren bij de rivier’.
‘Dappere dodo’ zeg ik.
Ze kruipt met een vastberaden blik onder de deken en ik sluit de deur tot een kier, fluister nog een kusje en loop de trap af terwijl ik denk -kleine Ronja-.

Droom werkelijkheid

Opeens overvalt me een herinnering, een fysieke herinnering, aan vliegen,
ja, echt vliegen,
of het begin er van,
zweven,
omhoog komen.
Ik kan letterlijk voelen wat ik deed in adem, in lichaam, om van de grond omhoog te komen en hoe fijn en fragiel de balans.
Het lukte me steeds langer, dat weet ik, ik weet ook nog dat ik het aan Bonk uitlegde,
ik weet alleen niet meer waar het was en wanneer,
pieker me suf.
Misschien was het Koh Tao en water,
misschien dat ik vliegen en zweven in water verwar in herinnering.
Misschien dat dingen door elkaar lopen van droom en werkelijkheid,
ik ben het lijntje ertussen even kwijt.
Weet alleen dat het zo zalig voelde en dat ik trots was en vastberaden het te blijven oefenen
totdat ik het steeds langer zou kunnen.
Het is zo tastbaar dat ik nu letterlijk heimwee voel.
Ik hoop zo dat het waar was
maar mijn hoofd zegt dat ik het waarschijnlijk heel helder heb gedroomd, ergens
Of was het water,
was het toch Koh Tao.
-Vreemd hoofd, vreemde (on) werkelijkheid-

 

Op de vlucht

Hij heeft een onrustige blik, zittend op het puntje van het treinbankje met het, me inmiddels bekende, a4tje met instructies in zijn hand.
Ik vraag; ‘oké? ‘
Hij knikt. Meer uit ongemak dan dat het kennelijk echt oke is.
Iets later schuift hij naar voren naar het bankje naast me en wijst verlegen op het a4tje.
Is dit de trein? Vraagt hij zonder woorden.
Ik beantwoord hem in het Engels. Hij begrijpt me niet.
Ik wijs naar de grond en steek mijn duim op.
Hij snapt het maar dan zie ik zijn tranen. Hij huilt. ‘Sorry’ zegt hij.
Ik probeer te troosten maar weet niet hoe.
Hij staart uit het raam terwijl de tranen over zijn wangen blijven rollen.
Hij veegt ze weg.
Hij veegt ze nog eens weg. Ze blijven komen.
Ik geef hem mijn flesje spa en mijn mandarijnen. Ik weet dat het maar eten is…..
‘Sorry’ zeg ik.

‘De vluchteling’ wordt langzaam een abstractie, een onderwerp voor een diepgaand gesprek met vrienden….behalve als je naast hem zit. Naast een ander mens die huilt.

 

Verdwalen

Ik ga veel te laat naar bed. Heb voortdurend het gevoel dat ik iets vergeet. Lees toch nog routineus de mails die binnen komen van het Arte.
Bedenk me steeds weer alle mensen die daar hard werken. Lees lees en lees en slaap te weinig maar kan niet stoppen met lezen. Ben in een soort arte verwerkingsshock. Aai de katten bij iedere ontmoeting en ook de cavia’s . Ze kijken me inmiddels lichtelijk bezorgd aan. Ben eindelijk eens klaar met dingen. Iets is gewoon echt af en voelt minder als meer. Fiets zingend over straat. Verdwaal in eindeloze uren al volg ik de minuten van Leloup. Ergens verstopt ligt een nieuw ritme, misschien. Tot dan verdwaal ik liever nog even, benieuwd naar wat zich niet laat bedenken.

 

Vader en zoon

Op het station in Almere zit een jonge vader (22?) naast me met zijn zoontje van misschien 2 en zijn telefoon.
Het kindje heeft energie.
De vader een telefoon.
De vader zegt dat hij moet zitten
‘En nu luisteren, je gaat zitten en blijft zitten’.
‘Is dat, is dat, is dat, is dat, is dat?’
‘Een mug!!’
‘Mug, mug, wat, is dat papa, is dat?’

Van mijn vader leerde ik ooit als een kind 10 keer een vraag heeft gesteld en geen antwoord krijgt stopt hij met vragen.

‘Stom’ zegt het jongetje.
‘Stoppen daarmee!!’ zegt de jonge vader.
‘Blijven zitten!!’

Ik kan het niet helpen maar zie onbewust dit nu schattige, geweldige, energieke, nieuwsgierige kindje als 14 jarige in mijn klas.
Ik weet niet of hij zal blijven zitten en of hij nog vragen stelt.
De ouders komen op de mentoravond voor een gesprek, het gaat niet goed.
‘Ja’ zeggen ze,
‘hij hield al nooit van leren’.

Op het station zwaait het kindje me, nog, enthousiast na.

Een mug denk ik, kijk een mug, een mug is een insect en kan prikken, hij heeft een lange snuit waarme…