Tijd reizen

Nu bonk ouder wordt realiseer ik me steeds meer het bijzondere gegeven van tijd. Er ontstaan voor mij tijd- cirkels en spiralen.

Ik zal het proberen uit te leggen:
Hij is inmiddels de leeftijd die ik me eigenlijk ergens nog voel, bijna 18. Ik denk dat veel mensen van binnen een ankerleeftijd hebben waarin ze uitkristalliseerden. De kern in zwart wit van hun zijn uitkristalliseerden waar we vervolgens in de loop van onze jaren alleen wat nuances en grijstinten aan toe voegen.
Nu Bonk op de leeftijd komt/is waar ik me kristalliseerde,om het zo even te noemen, kom ik dus in een soort tijdsconflict met mezelf. Mijn kind wordt mijn kernleeftijd dus even oud maar ik ben ook feitelijk zijn moeder en ouder.

Hierdoor ben ik soms opeens die blauwdruk kwijt en verdwaal in een beeld van het arche type van ‘moeder’ zijn. Zoals deze eigenlijk in mijn hoofd gegrift staat door het beeld wat ik had toen ik achttien was van mijn eigen moeder. Tegelijkertijd voel ik mij niet anders dan zo’n 30 jaar geleden en ben ik dus net zo 18 als hij ( bijna is). Hier schakel ik dan ook dagelijks tussen.
Tijd als vluchtig gegeven.
Doordat zijn leven zo concreet en tastbaar is vermengd het met de gekristalliseerde blauwdruk van mijzelf.
Ik kan me goed voorstellen dat we vrienden waren geworden,geweest als deze, voor nu parallelle tijd, echte gelijke tijd was geweest.
Het doet me realiseren hoe vreemd het gegeven mens en tijd is. Hoe vreemd een leven werkt. En hoe lichaam en ziel, of hoe je het ook wil noemen zulke verschillende gegevens zijn.
Waar het lichaam van punt a naar b reist en als verpakking concreet schade oploopt, heeft de ziel of geest ( hoe je het wil noemen) het vermogen rond te reizen in de verschillende tijden en is nauwelijks gebonden of onderhevig aan een vast gegeven of concrete schade.
De lineaire weg van het lichaam fungeert voor de geest als een soort markeringen, ankerpunten voor de gedachten die je door je leven had maar zijn tegelijkertijd ook maar beperkte tijdsaanduidingen want ook door die jaren heen was je vaak niet concreet in tijd en plaats aanwezig bij die ankerpunten maar weet je soms wel door die ankerpunten waar je heen reisde in geest. Sporen als dromen die je daar vond. Grote en kleine in-kervingen van je ziel. Wonderlijk mooi gegeven als je er even stil bij kunt staan. Tijd in die andere zin.

Botox of litteken verhalen

Ze schoof naast me op 1 van de bankjes bij de ingang van het gebouw en zei terwijl ze onderuit zakte op de hoekige banken; ‘ik denk dat ik deze groeven ga laten Botox’en’. Ze wees naar de lijntjes, tussen haar donkerbruine ogen die mij nooit eerder in hun individualiteit waren opgevallen. Ik bestudeerde ze, sierlijke linosneden als bewijs van haar scherpe kritische kijk op zaken.
In het begin had ik aan haar moeten wennen. Ze praat met niemand mee en stelt vragen waar anderen hun mond houden. Ze stelt sowieso veel vragen. Ze fronst bij ongenuanceerde uitspraken en zegt eigenlijk nooit gelijk -ja-. Ze kijkt de kat uit de boom, om het zo maar te zeggen of beter vraagt waarom hij er eigenlijk zit.
Ik daarentegen, zie al bij het minste zuchtje wind de mooiste stormen waaien, denk met nog geen drupje water mijn glas half vol.
Ze is me dierbaar geworden. Ze is met haar extreme andere kijk mijn spiegelbeeld. Ik herken mijzelf door haar.
Ik heb geen lijntjes tussen mijn ogen. De mijne liggen horizontaal er juist boven, een rimpeling als in water, een rimpeling van verwondering over iedere dag, of groter, het hele leven.
Ik weet dus ook niet of het erg is haar lijnen te hebben.
Ze zegt ‘kijk, als dit weg is, is het veel beter’.
Ik kijk maar vind haar alleen maar heel mooi. Ik zeg ‘nee, niet doen, niet doen, ik vind je mooi zo.’  Ik herhaal dit een paar keer en hoop dat ze overtuigd raakt.
De dagen erna blijft het me bezig houden. Vooral de paradox van mijn bewondering voor haar mooie krachtige verschijning, de gedachte die ik meerdere malen heb gehad als ik haar zie dat vrouwen van 50 echt heel mooi zijn, tegenover haar vraag, die zo duidelijk bloot legde hoe zij dit zelf niet ziet.
Ik app haar nogmaals dat ze het niet moet doen. Ik zeg haar dat ik haar echt heel mooi vind zoals ze is. Ze antwoordt dat ze daar blij mee is.
Nu, een aantal weken later, denk ik er weer aan. Mijn zus re- postte een bericht over een jonge vrouw en haar eerste zomer zonder borsten, haar ervaring. Mijn zus re-post dit in herkenning. De littekens waar de jonge vrouw topless mee te zien is zijn haar verhaal. Ook zonder borsten is de vrouw op foto mooi. Zo ook mijn zus. En ik ben trots dat ze dat zo krachtig kan dragen dat littekens niets voorstellen bij het feit dat ze nog leeft.
Het leven tekent ons. Ons allemaal. De lijnen, de littekens op ons lichaam, ons gezicht zijn de verhalen van ons leven. Sommigen komen er door ongelukjes, ongelukken, of ziekte, anderen door de weg die we bewandelden, de manier waarop we het leven bekeken, er op reageerden, het bekritiseerde of ons erover verwonderde. Er is daarin geen mooi of lelijk. Alle lijnen hebben hun eigen verhaal. Een verhaal om door te vertellen. Bijvoorbeeld zoals nu op vakantie bij een kampvuur of onder de hoge bomen in een dennenbos. In ons gezin noemen we het ‘de litteken verhalen’. We proberen de littekens als verhaal, met de juiste spanning, en nodige dramatiek, als waarschuwing of wijsheid door te geven. Er is nooit iemand zonder verhaal. Ik hou van deze verhalen.
En door deze mooie dame met de scherpe blik realiseerde ik me, hoe ik haar lijntjes zou missen, hoe ik al jullie lijnen, lijntjes, littekens, jullie lichamen vol bewijzen van leven zou missen als jullie deze allemaal zouden herstellen naar nieuw, resetten naar nul, naar lichamen die zogenaamd nog moeten beginnen met leven. Lichamen zonder zichtbaar verhaal.

Vrijheid

Afgelopen zomer liep ik met Leloup vanaf het campingtoiletblok over het zandpad terug naar de tent. Het was een zwoele avond, de krekels knisperden om ons heen en onze slippers klakten aangenaam ontspannen onder onze gebruinde blote voeten. Het begon al te schemeren en de maan hing al zichtbaar boven het pad.
‘Denk je dat Job op jongens valt of op meisjes?’ vraagt ze. Ik zeg dat ik dat niet weet maar dat ik denk dat de meeste mensen op beiden verliefd kunnen worden, het ligt er maar aan wie je tegen komt, wie je het liefst vindt.  Van jongs af aan probeer ik mijn kinderen vrij te laten in hun keuze door geen, één  kant op, bepalende antwoorden te geven.
Mijn onderliggende idee hierover is dat ik denk dat mensen niet persé op het ene of op het andere geslacht vallen. Dat je dit uiteindelijk misschien wel weet  als je wat ouder bent, of je op jongens of op meisjes valt of op allebei maar dat je dat zo jong hoogstwaarschijnlijk nog niet weet. Ik zeg dus ook nooit; ‘als je later een vriendje hebt…’ , ik zeg ‘als je later een liefje hebt…’

‘Ik val ook op jongens en meisjes’ zegt ze als we aangekomen zijn bij de tent.
Rick is net koffie aan het maken op het geïmproviseerde keukentje op de klep van de aanhanger en hoort de laatste zinnen.
‘Ik niet’ zegt Rick,  ‘ik val op meisjes’.
‘Gadverdamme’ zegt ze.
‘Hoezo gadverdamme?’ vraag ik.
‘Nou MEISJES!’
‘Oké, vrouwen’ zegt Rick.
“VROUW-EN?’ vraagt ze en kijkt hem boos aan.
We nestelen ons onder de zichtbaar wordende sterren hemel met de koffie en een chocomel voor Leloup en lachen. Heerlijk, vrijheid, iets om te koesteren.

 

 

De scholen Odyssee

Leloup, mijn dochter, is 10 dat wisten jullie misschien al. Vorige week zijn we gestart met het bezoeken van scholen ook al zit ze nog maar in groep 7. Je kunt deze klus niet in 1 jaar klaren dus is het gemeengoed in Amsterdam om te starten in groep 7 met deze odyssee.
Het systeem om op een middelbare school toegelaten te worden was 6 jaar geleden bij Bonk al niet makkelijk, toen moest je uit alle scholen er 1 kiezen, daar schreef je je voor in, om vervolgens te moeten afwachten of je niet uitgeloot werd door de grote boze loot-computer. Zo ja, dan was er een tweede ronde met wat achteraf schooltjes mogelijk of een plaatsing op een school buiten Amsterdam. Niet leuk.
Nu is het allemaal niet veel beter geworden naar mijn idee, al zegt men van wel, nu bekijk je zoveel mogelijk scholen en maakt een top 15, jawel een top 15! Ook nu gaat de computer er daarna weer mee aan de haal en probeert iedereen te plaatsen op een zo hoog mogelijk geplaatste school van je keuze. Dit zou moeten leiden tot een plaatsing in je top 5. Natuurlijk lukt dit niet altijd smaalt de info van het net maar het is een streven en volgens hen vinden de meeste kinderen uiteindelijk wel ergens hun plek.
Kinderen zijn flexibel dus dat zal ongetwijfeld gebeuren en ik weet ook geen beter systeem maar paradoxaal voelt het wel.
Ik weet niet waar te beginnen, laat staan dat Leloup dit kan. Je bezoekt scholen, weegt zorgvuldig de voors en tegens af en bouwt straks een top 15. Natuurlijk verbind ze haar hart aan een aantal van de scholen en wil ze uiteindelijk eigenlijk alleen maar naar die ene school, zo gaat dat. Ik voel me ook een verrader als ik haar steeds vraag om alle voors en tegens af te wegen terwijl ik weet dat ik haar daarmee dieper in haar keuze trek, die waarschijnlijk dus van weinig waarde zal zijn. Wat leer ik haar daarmee denk ik terwijl we de geëxalteerd open dagen bezoeken in de opgeleukte scholen.
Zou ik haar hier niet beter buiten kunnen houden? Een eigen top 15 maken [als het dan toch moet] en haar vervolgens, na de loting, vertellen dat het de leukste school is geworden ongeacht of dit dan de 1e, 5e of 10e plaats is?
Of zal ik haar helpen haar positieve gedachten te sterken, haar magisch denken stimuleren, door te vertellen dat de uitslag van deze computer loting alleen maar het juiste op kan leveren. Dat je altijd komt waar je moet zijn. Zou dat haar start niet vele malen leuker maken? Uiteindelijk is het leven toch wat je er zelf van maakt en waar je het niet zelf kan bepalen is een positieve insteek vaak de enige goede overlevingsstrategie.
Terwijl ik dit schrijf huppelt ze vrolijk met een vriendin langs me naar de keuken. Ik hoor haar zeggen ‘kom we gaan naar de vliegzaal, jullie hebben vandaag vliegles, leg jullie toverstaffen neer en we beginnen met een radslag’
Is denk dat ik op zoek ga naar dat muurtje op het station, ik weet zeker dat het er is als je goed zoekt, het muurtje waar je doorheen kunt rennen, je in een trein kunt stappen naar de leukste school die er bestaat. Je onderweg snoepjes kunt kopen die je laten brullen als een leeuw of als een stoomlocomotief en waar iedereen in de coupe, vanzelfsprekend, zijn huisdier bij zich heeft. Een school waar je vrienden kunt worden met draken en de juiste toverspreuken leert om te overleven in deze wereld. Een school waar je leert vliegen.
Dat lijkt me bij nader inzien het beste plan.
 
 
 
 
 
 
Expectation is the root of all heartache [william Shakespeare]
 
 
 
 

Anders is het te koud

  • Gisteren stond ik met Leloup nog vlug even in de Zara voor een outfit voor haar kerstdiner van vanavond op school. Ze groeit hard en de jurkjes van vorig jaar passen niet meer. Op de meisjesafdeling stonden we vervolgens te twijfelen bij een superzacht bolerootje toen ik naast me een mannenstem hoorde ‘wat denk je van dat tule jurkje met die geborduurde bloemetjes en haar zwart fluwelen schoentjes?’ Een andere mannen stem, iets lichter, antwoordde ‘ja mooi maar misschien wat koud’. De eerste ging verder ‘als we dat doen dan is zo’n bolerootje er wel mooi bij, ook wat warmer inderdaad, denk je niet?’
    Ik voelde aan de zachte stof en realiseerde me dat er iets vervreemdends was aan dit gesprek, normaal gesproken hoor je niet zo vlug twee mannen overleggen over dit soort zaken. Nieuwsgierig geworden bleef ik luisteren, waren dit twee vaders die samen nadachten over de outfit van hun dochter? Ik spitste mijn oren.
    Leloup had één van de vestjes gepakt, ‘hmm het is blauw, het lijkt zwart maar is blauw’ zei ik hardop. Leloup keek met me mee en we draaiden het vestje in verschillende hoeken in het licht. Ik voelde de mannen meekijken. ‘Is het blauw?’ zei de ene man tegen de ander. Ook zij pakten een vestje op en bekeken het aandachtig. Nu toch wel heel bewust van de ongewone situatie, keek ik op, twee lange mannen, goed gekleed en met frisse gezichten stonden naast me, onze blikken kruisten elkaar, ze glimlachten met zachte ogen. Twee paar ogen met een zelfde blauw en twee keer een glimlach met een zelfde rust. De één was in de vijftig, schat ik, de ander twintig misschien. Ze leken op elkaar. Vader en zoon.
    Nu een dag later ben ik nog steeds geraakt door de vanzelfsprekendheid waarmee zij overlegden. Hoe zij daar samen op pad een outfit uitzochten voor een klein meisje, misschien het zusje van de jongen. Hoeveel zachtheid en liefde sprak uit hun eigenlijk alledaagse gesprek. Alledaags, ja, de inhoud, maar hoe bijzonder om een vader en zoon dit gesprek te horen voeren. Hoe mooi als voorbeeld van de hedendaagse man maar ook de hedendaagse vader en zoon relatie, of hoe die kennelijk kan zijn. Hoe bijzonder in zijn eenvoud. Hoe warm en samen. Hoe mooi als voorbeeld en hoe hoopvol voor de toekomst zoveel zachtheid en aandacht. Wat fijn om dat als cadeautje te krijgen in de Zara op een doordeweekse dag.

Doe is normaal joh

Maar het gevaarlijke is dat zo stapvoets, voor veel mensen onzichtbaar, het allemaal steeds normaler wordt. Nog niet zo lang geleden was het een hoog goed als je de beschaafdheid had om rekening te houden met elkaars persoonlijke voorkeuren en eigenaardigheden, van hoofddoekjes en religie tot roken of een seksuele voorkeur.

Inmiddels zijn we langzaam verschoven naar ongeschreven nieuwe sociale regeltjes en wetten, naar het zogenaamde recht om te mogen eisen dat een ander rekening houdt met een algemeen heersende norm die steeds minder eigenaardigheden en anders zijn toestaat, datgene wat de meerderheid ‘normaal’ vindt. Gesteund door het internet en deze nieuwe regeltjes mogen we met zijn allen opeens politieman spelen en elkaar veroordelen.

En we vinden dat, vooral dat, steeds normaler in plaats van de geweldige schoonheid en kracht van diversiteit en de beschaafdheid om rekening te houden met elkaar.

 

 

Daar zit je dan, te gast, zonder dat je naar huis kunt.

Wat neem je mee als je vlucht? Geld, belangrijke papieren, je telefoon, eten? Niet veel in elk geval.
Ik probeer me vaak voor te stellen hoe dat moet voelen, hoe het is om te moeten vertrekken. Ergens besluit je te gaan, dat je niet anders kunt en dat je moet gaan. En dan ga je.

Maanden later kom je aan, in een vreemd land, met je zomerschoenen en zomerjas, nog geen bed voor de nacht, nog geen eten.
Met een hoop mazzel, waar je waarschijnlijk dankbaar voor bent tot in je tenen, heb je de reis overleeft en ben je aangekomen in Nederland. Je vindt een opvang en je durft, misschien, voor het eerst te huilen, even los te laten. Je bent veilig. Je mag zelfs mee met de aardige dame die je naar de verzamelplaats brengt, of het winkeltje zoals de anderen het noemen. Daar liggen spullen, spullen die mensen, die iets konden missen, daar brachten voor mensen zoals jij, mensen zonder iets. Je krijgt een jas en mag ondergoed, een shirt en een broek uitzoeken. Iets later kun je douchen en krijg je eten. Je lacht zelfs even, misschien.
Het zal nu allemaal beter gaan. Je denkt aan je familie. Binnenkort zal je ze weer zien. Morgen ga je vragen of ze kunnen achterhalen hoe het met ze gaat, waar ze zijn. Morgen, maar eerst moet je slapen. Zo moe ben je.
Maar de volgende dag is er niemand die een antwoord weet en de dag erna ook niet.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niets meer te hebben, alleen dat wat je krijgt. Om zoveel te moeten missen dat je hart voortdurend huilt, om nog wat later een groot pijnlijk gat te worden zonder einde of begin waar je om heen gaat lopen, of van weg gaat lopen. Waar beelden in zitten van spelende kinderen, eerste liefdes, bloesem in de lente, de geboorte van je zoon, je lachende moeder maar ook andere beelden, lichtflitsen in de lucht, instortende huizen, je huilende vader. Zoiets denk ik dat, misschien, gebeurt.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om je dagen te vullen met pogingen tot hoop. Om afhankelijk te zijn, afhankelijk zoals een huisdier van zijn eigenaar. Om niet verder te kunnen gaan met leven omdat je geen bouwstenen meer hebt, geen familie, geen bezit, geen werk, geen geld zelfs geen vrijheid.
En dat het dan winter  wordt, zoals nu. Je bent hier al lang. Je telt de dagen maar bij de administratie weten ze het preciezer.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, als je ergens bent waar je niet kunt zijn. Als je plek er niet meer is en er ergens anders, hier, ook geen plek meer voor je is en dat je dat begrijpt. Dat je begrijpt dat je te gast bent en dat je normaal gesproken beleefd op huis aan zou gaan als je merkt dat je aanwezigheid wel genoeg is geweest. Alleen kun je niet naar huis.
Hier thuis, in dit warme huis vol herinneringen, foto’s, tekeningen, sporen van een fijn verleden en daarnaast een zacht warm bed, kasten vol eten, twee snorrende katten en mijn goed doorvoede gezonde kinderen en mijn lief, probeer ik me dat voor te stellen.

Hoe het is als je niet naar huis kunt, dat er geen thuis meer is, dat alles weg is. Je niets liever zou doen dan naar huis gaan omdat alles alleen nog maar missen is geworden en een volgende dag, die komt, steeds weer.

 

Bang in het donker

Ik bracht net Leloup naar bed en ze was een beetje bang, ze is geen held in het donker. Ik stelde haar gerust en vertelde haar over Ronja, 1 van mijn lievelingsverhalen , Ronja de Roversdochter van Astrid Lindgren, een onevenaarbaar mooi verhaal. Het is een verhaal over een roversfamilie in het midden van Zweden. De roversdochter Ronja is een meisje met een wilde bos zwart haar en koolzwarte ogen. Ze groeit op tussen de roversbende, haar roverhoofdman vader en als enige andere vrouw, haar eigengereide moeder die in haar eentje alle rovermannen in het gareel houdt. Om de burcht waar ze wonen ligt een uitgestrekt bos met rotsen, meren, wilde dieren en een sterk stromende rivier. Ik herinner Leloup aan één van de mooiste stukjes uit het verhaal, het moment dat Ronja alleen het bos in wil en haar vader bijna gek wordt van angst. Hij verteld haar waar ze allemaal voor op moet passen, de vogelheksen, de kloof, de trollen, de mistwezens, dat ze niet in de rivier valt. Terwijl haar vader blijft roepen waar ze allemaal voor op moet passen loopt Ronja het bos in. ‘En waar ga je dan nu naar toe’ roept vader haar nog paniekerig na, ‘naar de rivier natuurlijk, waar kan ik anders leren om er niet in te vallen!’
Leloup kijkt me stil aan. Ik zeg ‘er is hier niets om bang voor te zijn, je ligt in een heerlijk bed in een veilig huis,je moet alleen nog wat sterker worden, leren om niet bang te zijn voor het donker en waar kun he dat nu beter leren dan in het donker?’
Ze lacht. ‘Dat is een goeie’ zegt ze, ‘dit wordt mijn nieuwe motto.’
‘Als je wil leren om niet in de rivier te vallen dan kun je dat alleen maar leren bij de rivier’.
‘Dappere dodo’ zeg ik.
Ze kruipt met een vastberaden blik onder de deken en ik sluit de deur tot een kier, fluister nog een kusje en loop de trap af terwijl ik denk -kleine Ronja-.

Droom werkelijkheid

Opeens overvalt me een herinnering, een fysieke herinnering, aan vliegen,
ja, echt vliegen,
of het begin er van,
zweven,
omhoog komen.
Ik kan letterlijk voelen wat ik deed in adem, in lichaam, om van de grond omhoog te komen en hoe fijn en fragiel de balans.
Het lukte me steeds langer, dat weet ik, ik weet ook nog dat ik het aan Bonk uitlegde,
ik weet alleen niet meer waar het was en wanneer,
pieker me suf.
Misschien was het Koh Tao en water,
misschien dat ik vliegen en zweven in water verwar in herinnering.
Misschien dat dingen door elkaar lopen van droom en werkelijkheid,
ik ben het lijntje ertussen even kwijt.
Weet alleen dat het zo zalig voelde en dat ik trots was en vastberaden het te blijven oefenen
totdat ik het steeds langer zou kunnen.
Het is zo tastbaar dat ik nu letterlijk heimwee voel.
Ik hoop zo dat het waar was
maar mijn hoofd zegt dat ik het waarschijnlijk heel helder heb gedroomd, ergens
Of was het water,
was het toch Koh Tao.
-Vreemd hoofd, vreemde (on) werkelijkheid-

 

Op de vlucht

Hij heeft een onrustige blik, zittend op het puntje van het treinbankje met het, me inmiddels bekende, a4tje met instructies in zijn hand.
Ik vraag; ‘oké? ‘
Hij knikt. Meer uit ongemak dan dat het kennelijk echt oke is.
Iets later schuift hij naar voren naar het bankje naast me en wijst verlegen op het a4tje.
Is dit de trein? Vraagt hij zonder woorden.
Ik beantwoord hem in het Engels. Hij begrijpt me niet.
Ik wijs naar de grond en steek mijn duim op.
Hij snapt het maar dan zie ik zijn tranen. Hij huilt. ‘Sorry’ zegt hij.
Ik probeer te troosten maar weet niet hoe.
Hij staart uit het raam terwijl de tranen over zijn wangen blijven rollen.
Hij veegt ze weg.
Hij veegt ze nog eens weg. Ze blijven komen.
Ik geef hem mijn flesje spa en mijn mandarijnen. Ik weet dat het maar eten is…..
‘Sorry’ zeg ik.

‘De vluchteling’ wordt langzaam een abstractie, een onderwerp voor een diepgaand gesprek met vrienden….behalve als je naast hem zit. Naast een ander mens die huilt.