De sleutel [vervolg]

De sleutel werd niet gevonden.
Nadat ik al een paar dagen met mijn inmiddels best lange en dus ook best zware tienjarige dochter door de stad had gecrost omdat haar fietssleutel verdwenen was en ik mezelf voor de twaalfde keer het hoge bruggetje op de Brouwersgracht op zag zwoegen, bedacht ik dat het tijd was voor de slijptol.
Normaal gesproken roep ik dan de hulp in van mijn steun-en-toeverlaat maar die is nu even niet voorhanden. Met een handige man in huis is de vraag bijna geautomatiseerd ‘kun jij even…Wil jij even…Er is een probleempje…’
Stiekem geniet ik ervan dat dit nu niet kan.
Ik houd van klussen. Ik ben er lang niet zo goed in als hij maar redde me zonder hem eigenlijk ook best goed.
Terwijl ik de brug afrol kriebelt er iets in mijn buik, ik verheug me op de slijptol.
Thuisgekomen ga ik meteen op zoek. Ik loop de trap op naar de werkkamer waar in een hoek het gereedschap ligt. – Nou ja ‘ligt’ er staan wat kratjes waar het gereedschap, na een dag klussen, in verdwijnt. Van enige ordening is geen sprake. –
Ik worstel wat kratjes door, open wat gereedschapskoffertjes en ja, daar ligt hij, de slijptol in ruste. Ik glimlach en til hem er zorgvuldig eruit. Ik weeg hem in mijn hand en bekijk het mechanisme. Zwaar en mooi. Het mechaniek ziet er niet erg anders uit dan een boor dus dat moet lukken.
Als cadeau voor mijn slagen van de theaterschool kreeg ik van mijn ouders een boor. Ja, een boor. Ik wilde heel graag een boor. Ik herinner me nog het gevoel toen ik het groene koffertje zag en open maakte, hoe de boor daar lag als krachtige medestrijder voor al mijn leuke plannetjes in huis. De kleine hulpstukken ernaast waarmee ik de muren te lijf kon gaan, ware euforie. Het beste cadeau ever!
De volgende ochtend vertrek ik met mijn dochter achterop, een verlengsnoer en de slijptol, op oorlogspad. [Ik heb voor de zekerheid nog even een YouTube filmpje bekeken en op het laatste moment een veiligheidsbril in de tas gegooid.]
Op de fiets vraagt mijn dochter ‘kunnen we niet toch beter op papa wachten?’ ‘Nee, natuurlijk niet liefje, ik kan dit ook. Mijn moeder, jouw oma zei altijd – als iets het niet doet dan maak je het open en kijk je of je het op kunt lossen-, dit is net zoiets. Dit moet even opgelost.’
Op de school aangekomen kus ik haar zachte wangen en aai nog even door haar blonde manen. Gesteund door het citaat zie ik haar vol vertrouwen naar binnen lopen en check ik onderwijl of er niet te veel ouders voor de deur hangen. Het is rustig, het is al laat, de school is begonnen. Ik sjouw haar fiets naar de voordeur en zoek binnen een stopcontact voor het verlengsnoer. Ik draai de fiets om en zet haar op het stuur en zadel. Ik sluit de slijptol aan, zet de veiligheidsbril op en start de tol. Het scherp zoemende geluid vult de straat en behendig plaats ik het blad op de ronding van het slot. De oplichtende vonken vliegen door de lucht en ik voel de warmte en de kleine zachte tikjes van het weg geslepen ijzer tegen mijn wangen. Deze kant is door. Ik begeef me vakkundig naar de andere kant en zet de tol weer aan, plaats de schijf en geniet van het geluid en het vuur. Het stukje ijzer valt op de grond en ik zet de tol uit. ‘Altijd fijn hè een beetje slijpen’ zegt de vader die voorbijloopt. ‘Ja’ zeg ik terwijl ik de bril zelfbewust omhoogschuif, ‘altijd fijn.’

De sleutel

 

Mijn dochter was haar fietssleutels kwijt. We hadden al overal gezocht maar ze niet gevonden. Het was op school gebeurd. Ik had de school uitgeplozen en de juf en conciërge ernaar gevraagd maar zonder resultaat. Teruglopend naar mijn eigen fiets bedacht ik me dat de sleutels misschien wel bij de school om de hoek waren afgegeven.

Om de hoek zit een school waar middelbare scholieren die het op andere scholen niet hebben gered terechtkomen. Het zijn niet zozeer leerlingen die slecht kunnen leren maar vooral ‘moeilijke’ leerlingen. Leerlingen die om wat voor een reden dan ook, extra zorg nodig hebben. Ze komen s’ochtends aangelopen met hun capuchon over hun hoofd getrokken zodat hun ogen nauwelijks zichtbaar zijn. Sommigen met  een zak chips  in hun hand. Ze hebben geen haast om naar school te komen. Regelmatig is er geduw en getrek in de smalle straat en af en toe een gevecht. Een enkeling groet terug als ik in het voorbijgaan ‘goedemorgen’ zeg. De juf in mij wil toch die lach op hun gezicht toveren. Soms lukt dat. Al is het vaak maar een klein lachje.

Ik loop het smalle zijstraatje in waar de school zit en besluit te vragen of de fietssleutel bij hen is afgegeven. Ik parkeer mijn fiets terwijl een aantal jongens me passeert om de school binnen te gaan. Ze kijken langs me heen met een verveelde blik. Ze hebben er duidelijk zin in vandaag.

De grote glazen deur is op slot. Ze bellen aan. Ik loop met de vier jongens mee naar binnen.

Achter de deur is een klein voorportaaltje met daar weer achter een wat grotere hal. In de hal, meteen links is een raampje naar een afgesloten glazen ruimte, hier lijkt de administratie te zijn. Een jonge vrouw loopt er druk rond. In de hal staan twee mannen van boven de veertig. Eén man is Surinaams, de ander kan ik wat moeilijker plaatsen maar lijkt Turks. De mannen doen me denken aan de zilverrug gorilla in Artis. Ze kijken, zijn er, zien alles en zullen niet opzij gaan. Ze negeren mij maar ik weet dat ze me al van verre gezien hebben.

De Turkse man heeft een lijst in zijn hand.

Ik wacht naast het raampje van de admnistratie want wat me meteen duidelijk is, is dat niemand hier nu echt tijd voor me heeft. Ik ben beland in de startrituelen van een nieuwe schooldag en die liegen er hier niet om. Ik voel de hoge energie, de totale focus van de mannen en de drukte van de jonge vrouw in de glazen afgesloten ruimte. Hier mogen geen fouten gemaakt worden. Hier ben je alert, gefocust, op je hoede.

De jongens grommen wat voor zich uit, maken hun borsten breed en ijsberen in de ruimte die de twee mannen hun geven. Ze staan geen seconde stil. De capuchons gaan pas af als de mannen hen aanspreken. De mannen zijn breder, stellen vragen en versperren de weg.

‘Heb je je spullen bij je Kelvin?’ Ik hoor het antwoord niet maar zie de jongen zich omdraaien. Hij gromt ‘ Laat me gaan, laat me dan naar huis gaan, ik heb die spullen nu toch niet, dan kan ik hier ook niks.’ Er wordt niet op gereageerd. In plaats daarvan schrijft de Turkse man iets op de papieren in zijn hand. Mannentaal is hier de code. Weinig woorden en veel zwijgend aftasten. Wat wel gezegd wordt is een afgemeten dagelijkse strijd. De jongens weten dat ze van deze mannen nu niet zullen winnen maar iedere dag opnieuw zullen ze het proberen.

Een kleinere jongen wacht voor me bij het raampje van de administratie. Hij heeft zijn rug naar de grotere jongens toegedraaid terwijl zijn schouders moedeloos naar voren hangen in zijn grote jas. Hij wacht. De getatoeëerde armen en de scherpe blik van de magere jonge vrouw achter het glas doen me eerder denken aan een havenarbeider dan aan een administratief medewerkster van een school.  Ik bedenk me dat je hier misschien ook meer hebt aan een havenarbeiders mentaliteit dan de verfijnde skills van een administratief medewerkster.

‘Hé Rory’ zegt ze warm terwijl ze voorovergebogen over een laatje de blik vangt van de kleine jongen met de moedeloze schouders. Hij zegt niets. Haar vingers glijden over de namen op het ladekastje en stoppen bij een laatje in het midden. Ze haalt er een potje uit. Ze draait zich om, loopt de paar passen naar het raampje en draait het potje open. Ze schudt zorgvuldig drie pilletjes in de uitgestoken hand van Rory. Ze draait zich terug, tapt routineus een bekertje water en geeft het aan hem. Dan pas zie ik dat haar handen trillen.

‘Kan ik iets voor je doen’ zegt ze terwijl ze kijkt hoe Rory zijn pilletjes inneemt.

‘Hebben jullie misschien een fietssleutel gevonden of is er een sleutel bij jullie afgegeven’ vraag ik. ‘Sorry, nee’ zegt ze. Haar toon is vriendelijk en behulpzaam maar haar tijd is duidelijk beperkt. Ik bedank en draai me om waar ook de mannen doorwerken in totale focus.

Ik loop naar buiten en denk aan mijn jaren onderwijs. Ik ken deze focus. Ik ken de stress die stapelt door de jaren. Ik ken de passie waarmee deze docenten proberen om deze jonge mensen een nieuwe kans te geven. Ik weet hoe het voelt om door die harde buitenkant heen de pijn bij kinderen te zien en hoe dat je helpt om iedere dag er weer te gaan staan. Dat je weet hoe het zonder jou en je collega’s zal gaan met deze jongens en meisjes en hoe dat je de energie geeft om voor ze te blijven knokken. Ik weet ook hoe het je opvreet. Hoe veel het kost. Hoe je op kunt zien tegen de nieuwe week. Hoe je alle zeilen bij moet zetten om ze steeds weer met kleine zetjes de goede kant op te duwen, te leren dat de wereld niet alleen maar strijd is, niet iedereen een potentiele vijand, het niet alleen maar gaat over het recht van de sterkste, dat ze hun maskers mogen laten vallen en mogen gaan leven.

Ik zou terug willen lopen en deze twee mannen en deze jonge vrouw willen zoenen. Ze zeggen hoe geweldig het is wat ze doen. Ik zou op een stoel willen gaan staan en een speech voor ze willen houden over hoe hard deze stad, dit land, deze wereld, mensen zoals zij nodig heeft. Hoe erg ik het vind dat hun beroep zo ondergewaardeerd wordt. Hoe er te weinig compensatie is voor de hoge werkdruk in tijd of financieel. Maar Ik pak mijn fiets en loop de straat uit richting de gracht want ik weet dat ze er geen tijd voor zullen hebben.

Ze moeten door.

 

Hiep hiep hoera!!

Een paar jaar geleden was ik voor het eerst mentrix van een klas middelbare scholieren. Een hele leuke eerste jaars havo/vwo klas op een school in Almere. Wat ouders zich vaak niet realiseren is dat een mentor heel veel gaat houden van hun kinderen. Je leert ze kennen in al hun kwetsbaarheden, ziet ze hun eerste stappen doen in de grote boze middelbare school wereld en bespreekt de kleine en grote problemen van deze harde schoolwereld, en soms de thuiswereld, met ze. Ze worden een klein beetje ook jouw kindjes.
Op de eerste ouderavond sprak ik de ouders van mijn leerlingen voor het eerst. Er was maar kort tijd aangezien ik op deze avond alle 28 paar ouders zou spreken. Toch was het prettig om even te zien en horen uit wat voor een nest ze kwamen, mijn kinderen.
Die avond ontmoette ik voor het eerst de ouders van B.. Beiden tegen de 50 en breed lachs. Ze waren zonder B. gekomen . Dat had een reden bleek. Moeder had helder blauwe ogen, glimlachte en boog naar me toe, ze rook zoet en fris, de vader schoof vertrouwd een hand op haar smalle rug, ‘ik ben ziek’ zei ze, ‘een paar jaar geleden werd er baarmoederhalskanker bij me geconstateerd. Ik ben toen behandeld en de afgelopen jaren leek het goed te gaan. We hadden hoop maar nu is het terug.’ Ze keek me met haar helderblauwe ogen aan en gaf me de ruimte om haar woorden een plek te geven. ‘We willen dat je dit weet. B. en zijn broers weten alles. Ze bespreken open wat er aan de hand is. We hopen dat je B. hier op school een beetje in de gaten kan houden’. Ik ademde in, schoof mijn handen open naar hen en wist niet meer te zeggen dan ‘jeetje’. ‘Ze glimlachte en zei Ja, zo is het. Sorry dat we je er zo mee overvallen.’
Het gesprek wat volgde was open en intiem. In de korte tijd die we spraken raakten ze me diep. Ze maakten grapjes, betrokken me zonder me echt te belasten. Wisten een luchtigheid in dit grote verhaal te houden.
Bij het weggaan zag ik hoe haar tengere rug zich strekte, hoe ze kracht uitstraalde, een kracht die ik nu, met terugwerkende kracht, nog meer waardeer, nu ik weet hoeveel daarvoor nodig is.
We bespraken de thuissituatie in de klas en B. bleek niet de enige. De leerlingen raakten me diep met de manier waarop ze zo open de pijn en de angst met elkaar deelden die ziekte brengt. Ze zaten in een cirkel, legden hun tienerarmen om B. en elkaar heen op deze vrijdagmiddag in Almere.
Vandaag is mijn zus jarig. 52 wordt ze. Ik denk terug aan deze vrijdagmiddag. Sinds wij te horen kregen hoe de kanker zich verspreidt heeft in haar lichaam is niets meer zeker, alleen vandaag, nu. Nu is ze jarig en dat is zo fijn. Ik dacht deze week na over wat ik haar zou geven en ik realiseerde me dat niets materieels nog waarde heeft. Ik dacht aan Lucebert, dat hij dit begreep en schreef – alles van waarde is weerloos -. Ik dacht aan de cirkel en armen om elkaar heen. Ik dacht aan hoe een van de leerlingen heel wijs vroeg aan B., ‘wat kunnen wij als klas voor je doen? Wat kunnen wij je geven?’ En dat hij zei ‘gewoon, doe maar gewoon, ik vind het fijn als ik er niet de hele tijd over na hoef te denken en hier met jullie kan lachen. Vooral lachen.’
Vandaag is mijn zus jarig! En ik verheug me op het feestje vanmiddag, in het zitten in een cirkel, in armen om elkaar en samen lachen.

 

Finished

Aan het strand op Koh Tao werken vooral Birmezen. Ze komen vrijwel allemaal om geld voor thuis te verdienen. Ze zijn de allochtonen van Thailand. Het zijn vaak zachtmoedige mannen en vrouwen, jongens en meisjes, die hard werken. Dat is in ieder geval wat wij tot nu toe zagen.
In Thailand is een baan van sochtends tot savonds laat en zeven dagen per week niet ongewoon. Ze verdienen daarmee vaak niet veel meer dan 7.000 Bath per maand, zo’n 225 Bath per dag (wat omgerekend zo’n 6 a 7 euro is) en kost en inwoning. Één dag per maand zijn ze vrij en één keer per jaar krijgen ze een biertje. Soms, als ze mazzel hebben, betaald hun baas een maand vrij, de tijd om naar huis te gaan, door.
Dit lage loon en de lange dagen werk weerhoudt Tee, Mauo en Aung en de vele andere bijzondere mensen die we tegen kwamen in de eet-tentjes op Koh Tao, er echter niet van om met een brede lach en een groot enthousiasme Leloup over haar haren te aaien, ons te vertellen over hun familie thuis, onvermoeibaar grapjes te maken en zo steeds weer alles als vanzelfsprekend uit de kast te trekken om ons ons welkom te laten voelen.
Zo aten we vaak bij Aung, of beter gezegd bij het strand tentje waar Aung werkt. Aung is een tengere jonge man met donkerbruine ogen, weerbarstig zwart haar en blote voeten. Hij heeft twee t-shirts vertelt hij enthousiast. Voor hij werkt wast hij de één voor de volgende dag en trekt de ander aan. Hij lacht een grote mond witte met bruine tanden vrij als hij het vertelt.
‘S ochtends ontbijten we vaak bij Aung. Met zijn enthousiasme bepaalt hij de ‘mood van de dag’. Hij verwelkomt ons met stralende ogen, lacht en herhaalt onze voorkeuren ‘fres Coffee Yes? Orange jui no suga no wate, Yes?
Als we klaar zijn met eten of als hij iets van de tafel wil opruimen zegt hij ‘sorry, this isse aa youa finished, yes?
Mooier Engels is er niet door alles wat hij met deze beleefd bedoelde zin, en alles onder de woorden door, zegt.
We houden van Koh Tao en missen de sfeer en al de Koh tao’enaren nu al. Juist deze warmte maakt Koh Tao zo fijn.
Waarschijnlijk was dit ook de reden waarom ik vandaag zo moest lachen om Leloups woorden.
We hadden gedoucht, ons gekleed voor de terugreis naar Nederland en de tassen waren dicht. Rick liep al vast vooruit naar de lift van het hotel terwijl hij riep ‘ kijk nog even onder het bed Man, voor de zekerheid’. De deur naar de gang stond open waar Leloup geduldig op me wachtte met een grote tas.
Terwijl ik de rolkoffer tegen het bed plaats en door mijn knieën zak om onder het bed te kijken hoor ik haar vrolijke stemmetje ‘sorry, this isse aa youa finished, yes?.
Ik kijk op en zie haar onschuldige dromerige gezichtje me aankijken. Het was er zichtbaar uitgefloept. Terwijl ik naar haar kijk, zo op mijn knieën, schiet ik in de lach en herhaal ”sorry, this isse aa youa finished, yes? Zij lacht nu ook.
We trekken de tassen zwalkend vab het lachen naar de lift en herhalen ‘sorry, this isse aa youa finished, yes? ‘sorry, this isse aa youa finished, yes? ‘

Sorry, Yes, de vakantie isse aa youa finished, yes!

Etsen van zijn

Nog twee dagen hier, op Koh Tao. Het eiland waar we zo’n dertien jaar geleden per ongeluk neerstreken en nooit meer helemaal vertrokken. Ik probeer de dagen te etsen. Ze te kerven op de koperen platen van mijn zijn. Zodat ik ze er thuis uit kan halen en stiekeme afdrukjes van kan maken op donkere dagen.
Ik hoef geen plaatjes van een blauwe zee met een wit strand boven mijn bed, dat is het niet, het is iets anders.
Ik kerf alvast deze nacht en deze ochtend;
De wind ruist om ons één kamer huis en glipt met lange vingers door de open ramen. Aait mijn gezicht en de haartjes op mijn blote benen. Ze mengt met het golvende geluid van de zee en wedijvert met de rustige slagen van de ventilator boven ons bed.
Het huis is niet groot en van hout en als je anders kijkt zou je het armoedig kunnen noemen maar voor ons heeft het alles wat we nodig hebben. Een kleine badkamer met lauwe douche, een groot en een klein bed waarop we onze blauwe lakens hebben gespreid en de grote veranda. We wonen hier op het strand. De zee ligt 20 meter voor ons als een al net zo gespreid laken.
Tegen de ochtend wint de wind en weet ze de kamer te koelen, net voordat de hanen kraaien. Dan klik ik de ventilator uit en wordt alles rust. Ik draai me op mijn zij, hoef nu niet meer op mijn rug de wind te vangen voor verkoeling en doezel weer in slaap.
De start van een nieuwe dag.
Een zacht strijkend licht wat ons wekt en ieder op zijn eigen tijd op laat staan. We praten niet. Niet nodig. We hebben na drie weken de zee in onze ogen net als alle mensen die hier wonen. Wie als eerste wakker is opent de deur naar de veranda waaronder het zachte zand al op onze tenen ligt te wachten en honden in alle kleuren en maten zich nogmaals omdraaien in de prille dag. Alleen de kippen zijn al met hun kuikens aan het scharrelen tussen de huisjes. Kuikentjes die soms al scharrelend in slaap vallen en daardoor hun broertjes, zusjes en belangrijker, hun moeder uit het oog verliezen. We zien ze luid piepend met lange nekjes smiddags tussen de andere kippen. Geen kip of haan die naar ze kraait. Soms vinden ze hun moeder terug, soms vindt een ander dier hen eerder.
We gaan zitten, blijven nog even staan, rekken ons uit of hangen op de houten veranda balustrade en luisteren al kijkend naar de logica van de ontwakende dag.
Het oneindige, oneindige kabbelen van de zee in al haar schakeringen blauw met grijs en wit waarop de enkele vroeg vertrokken duikboten zich aftekenen aan de horizon. De orde van de dagen hier. We trekken geen schoenen aan. Er zijn geen ochtendhandelingen nodig voor ‘naar buiten gaan’.
Langs het huisje loopt de Thaise klusjesman van de oude gedistingeerde dame waar we van huren, met zijn hond Pepsi. Hij glimlacht, knikt terwijl zijn bruine blote bast en zwarte dikke haren glanzen in het licht. Hij heeft geen haast. Ook zijn lachende ogen dragen het blauw van de zee in zich. Hij veegt het strand. De dag is begonnen.

Meisjes

Arm meisje.
Een meisje op school deed alsof ze gestalkt werd. De stalker zou vanalles over haar en haar vriendinnen weten. Dus ook over mijn dochter. De berichtjes werden getoond en met verhitte stemmetjes besproken. De berichtjes waren expliciet – zit je lekker te eten met je vriendinnen?
De stalker wist kennelijk wat ze op dat moment aan het doen waren, wat ze aten, misschien zelfs wat ze zeiden. Dus hij of zij kon hen zien en afluisteren!?
Maar wie was het dan?
Het werd het gesprek van de dag. Doodeng. Maar ze zouden elkaar beschermen. De vriendinnen.
Moesten ze de politie inschakelen? Ouders erover vertellen? Het nummer bellen?
Het meisje zei dat ze het allemaal niet durfde, dat ze het nummer op had gezocht en het niet bestond. De stalker noemde zich A.
Er is een serie die hierover gaat ‘pretty little liars.’ Mijn dochter keek hem ook een tijdje maar moest van ons stoppen, veel te eng en niets voor een gevoelig meisje zoals zij. Ze werd er somber door en angstig.
Nu werd het spel kennelijk live nagespeeld. Zo bleek. En ondanks dat de vergelijking snel gemaakt was, ook door de vriendinnen, leek het voor een aantal toch meer dan logisch dat dit echt gebeurde. Ze hadden het tenslotte gezien op de film. Dit kan gebeuren. Dit is waar je voor op moet passen. Terreur alom.
Gisteravond kwam het er allemaal uit en vertelde ze het verhaal. Ze was doodsbang, ook in huis en wilde niet meer naar school. Bang dat daar iets zou gebeuren.
We probeerden haar er van te overtuigen dat dit vast een misplaatste grap was van het meisje of iemand anders uit de klas omdat het wel heel erg veel lijkt op de betreffende serie.
Helaas werkt een hoofd van tien niet zo en wilde de slaap niet meer komen, overal was de stalker, ofwel A. Met grote bange ogen keek ze naar de schaduwen aan het eind van de kamer en bleef tegelijkertijd benoemen dat we niets mochten doen want dan werden de anderen misschien boos. Ze zat gevangen in het vriendinnen-web.
Vandaag maar even mee naar school gegaan. Het betreffende meisje zag ons en trok haar conclusies. Ze viel meteen aan en begon tegen mijn meisje maar ook tegen mij dat zij al lang had gezegd dat het niet echt was en dat iedereen dat wist. Haar stem werd bij elke zin hoger en scherper. De mesjes begonnen te snijden.
Ik zag mijn dochter wit wegtrekken terwijl ze haar schoudertjes omhoog trok en een stapje achteruit deed. Het meisje ging door; ‘Nu krijg ik van alles de schuld. Ik krijg altijd de schuld. Iedereen wist dat het fake was.’
Ik sloeg mijn arm om mijn dochter heen en probeerde de tirade te stoppen. Het meisje werd een tornado en pas toen de juf de gang in kwam lopen en de deur opende van het lokaal vertrok ze de klas in. Ik sprak met de juf en realiseerde me te laat dat kennelijk buiten ons gezichtsveld de tornado haar kansen pakte. Vriendinnen moesten worden overtuigd en messen geslepen. Wie was hier schuldig? Zij toch niet?
Na het gesprek liepen de juf en ik de klas in en daar stonden ze, een hele groep meiden onder leiding van de tornado om mijn meisje heen die met dikke stille tranen hen aankeek. Een spervuur aan verbaal, schel geweld werd er over haar heen gegooid, onder aanvoering van de tornado. Zo zielig. Ik riep haar en ze kwam met grote verdrietige ogen naar me toe. De juf zag de chaos in de klas en riep ‘en nu is het klaar, iedereen zitten.’ Ik trok mijn meisje kort mee naar de gang en nam haar hoofdje in mijn handen ‘meisje het ligt niet aan jou! Je doet niets fout. Laat dat je niet aanpraten. Goed onthouden.’ En kuste haar. Ze antwoordde met een trillend knikje en glipte het lokaal weer in. Ik keek door het raam het lokaal in. En zag de roofdiertjes op hun stoel. Oh arme. Met een zwaar gemoed liep ik weg de trap af en hoopte stilletjes dat de juf het op zou kunnen lossen.
Ja, ik ben blij dat mijn meisje zo goed gelovig is en vol vertrouwen in de waarachtigheid en goedheid van anderen en dat ze ten alle tijden haar vriendinnen steunt maar oh jee, meisjes. Meisjes. Alle meisjes en vrouwen zullen dit denk ik herkennen; de druk, de grillen, de intriges, de sluwheid en het gemene van meisjes onderling, op deze leeftijd.
Je zal er maar midden inzitten.
Gelukkig is het bijna vakantie.

Geslaagd

Ik lees de laatste tijd regelmatig columns en interviews met of van jonge moeders waarin zij vol trots zich afzetten tegen het moederschap. Sommigen schreeuwen bijna van de daken ‘ik ben geen geboren moeder, ik heb meer nodig in mijn leven’ of ‘ik verveel me te pletter met ‘het’ kind’, ‘ ik ben blij als ‘het’ naar de crèche is.’
Naast dat ik een plaatsvervangend verdriet voel voor ‘het’ kind wat dit ongetwijfeld als jong volwassenen terugleest, zie ik het als een nieuwe stroming die past bij de prestatiemaatschappij. Iedereen moet iets zijn, iedereen moet laten zien hoeveel hij waard is en helaas heeft moederschap weinig aanzien op de maatschappelijke ladder.
Ik moet hier aan denken zo in deze week. Deze bijzondere week. Een week waarin veel jongeren hun diploma haalden maar ook voor de ouders waarvan hun kind een diploma haalden. Ik had eigenlijk niet verwacht dat ik het zo zou voelen maar het voelt als een mijlpaal. Niet om dat diploma, iedereen die me een beetje kent weet dat ik daar weinig waarde aan hecht, maar natuurlijk toch ook om dat diploma want het is binnen deze maatschappij het entree kaartje om verder te mogen ( als je dat tenminste wil). Belangrijker is denk ik, hoe ik me deze week realiseer hoe groot mijn kindje is geworden. Als ik naar mijn omslagfoto op Facebook kijk, waarop hij staat, zie ik een zelfverzekerde, stralende, jonge man. Voor anderen niet zichtbaar zie ik er doorheen dat nieuwsgierige baby’tje met die grote blauwe ogen en voel ik nog zijn perzik-huidje. Ik zie ook nog steeds dat kleine tengere kleutertje wat overal op klom, dat energieke jongetje wat zichzelf perfect diabolo leerde spelen vanuit YouTube filmpjes en daarnaast lonkt guitig de tiener die al vlug van watervallen sprong, met de scooter over koh Tao scheurde en er leerde duiken. De tiener die samen met hele leuke andere jongeren een nieuw eigen dorp creëerden in Amsterdam, een hechte, eigengereide vrienden club waarbij gender een veel minder benauwende rol toebedeelt kreeg dan anderen voor hen deden. Ik zie de jongen, inmiddels langer dan ik, ’s nachts in grachten springen en andere grenzen verleggen. Naast mijn kind zie ik mijzelf in al mijn verschijningsvormen van de afgelopen jaren. De jonge, onervaren moeder en de bijbehorende worsteling van het net moeder zijn, geen gebruiksaanwijzing hebben en toch zoveel verantwoording krijgen over een nieuw leven. Ik herinner me hoe zwaar dat was maar ook hoe met mijn zoon er een nieuwe wereld bij kwam. Een wereld waarin je opnieuw mocht vertragen zoals je dat zelf als kind deed, echt kijken naar alles om je heen, de tijd nemen voor de dag, je weer verwonderen omdat hij je essentiële vragen stelt of langer stil staat bij de vergeten schoonheden van de dag. Ik herinner me al die grote en kleine geweldige momenten, aprilfeesten met een mooi nieuw mensje op onze schouders, de vader monterend in de filmacademie met baby zoon ernaast slapend, boekjes lezen op de bank bij de open tuin deur in het kleine huisje op de Rombout hogerbeetsstraat, door een kleurig en geurend India lopen met die kleine beentjes schuin om mijn heup, puzzelen op de grond in een zonovergoten kamer, steltlopen voor de deur, hem naar school brengen met het kleine zadeltje voor op de fiets en samen zingen, al die andere ouders op de school met vergelijkbare kindjes, die vrienden werden en ons leven verrijkten en zoveel meer. Een hoofd vol.
Maar nu, nu is hij klaar met de middelbare school en weet ik dat hij binnenkort vertrekt voor een reis. Hij zal niet meer thuis zijn. Hoe lang weet hij nog niet, een half jaar tot anderhalf jaar. Hij vliegt straks letterlijk uit. Een nieuw deel leven wacht voor hem maar ook voor mij, voor ons.
Deze week heeft daardoor ook iets weemoedigs, iets trots weemoedigs. Hij is geslaagd, ja, wat een geslaagd deel leven is hij. Lees verder Geslaagd

Tijd reizen

Nu bonk ouder wordt realiseer ik me steeds meer het bijzondere gegeven van tijd. Er ontstaan voor mij tijd- cirkels en spiralen.

Ik zal het proberen uit te leggen:
Hij is inmiddels de leeftijd die ik me eigenlijk ergens nog voel, bijna 18. Ik denk dat veel mensen van binnen een ankerleeftijd hebben waarin ze uitkristalliseerden. De kern in zwart wit van hun zijn uitkristalliseerden waar we vervolgens in de loop van onze jaren alleen wat nuances en grijstinten aan toe voegen.
Nu Bonk op de leeftijd komt/is waar ik me kristalliseerde,om het zo even te noemen, kom ik dus in een soort tijdsconflict met mezelf. Mijn kind wordt mijn kernleeftijd dus even oud maar ik ben ook feitelijk zijn moeder en ouder.

Hierdoor ben ik soms opeens die blauwdruk kwijt en verdwaal in een beeld van het arche type van ‘moeder’ zijn. Zoals deze eigenlijk in mijn hoofd gegrift staat door het beeld wat ik had toen ik achttien was van mijn eigen moeder. Tegelijkertijd voel ik mij niet anders dan zo’n 30 jaar geleden en ben ik dus net zo 18 als hij ( bijna is). Hier schakel ik dan ook dagelijks tussen.
Tijd als vluchtig gegeven.
Doordat zijn leven zo concreet en tastbaar is vermengd het met de gekristalliseerde blauwdruk van mijzelf.
Ik kan me goed voorstellen dat we vrienden waren geworden,geweest als deze, voor nu parallelle tijd, echte gelijke tijd was geweest.
Het doet me realiseren hoe vreemd het gegeven mens en tijd is. Hoe vreemd een leven werkt. En hoe lichaam en ziel, of hoe je het ook wil noemen zulke verschillende gegevens zijn.
Waar het lichaam van punt a naar b reist en als verpakking concreet schade oploopt, heeft de ziel of geest ( hoe je het wil noemen) het vermogen rond te reizen in de verschillende tijden en is nauwelijks gebonden of onderhevig aan een vast gegeven of concrete schade.
De lineaire weg van het lichaam fungeert voor de geest als een soort markeringen, ankerpunten voor de gedachten die je door je leven had maar zijn tegelijkertijd ook maar beperkte tijdsaanduidingen want ook door die jaren heen was je vaak niet concreet in tijd en plaats aanwezig bij die ankerpunten maar weet je soms wel door die ankerpunten waar je heen reisde in geest. Sporen als dromen die je daar vond. Grote en kleine in-kervingen van je ziel. Wonderlijk mooi gegeven als je er even stil bij kunt staan. Tijd in die andere zin.

Botox of litteken verhalen

Ze schoof naast me op 1 van de bankjes bij de ingang van het gebouw en zei terwijl ze onderuit zakte op de hoekige banken; ‘ik denk dat ik deze groeven ga laten Botox’en’. Ze wees naar de lijntjes, tussen haar donkerbruine ogen die mij nooit eerder in hun individualiteit waren opgevallen. Ik bestudeerde ze, sierlijke linosneden als bewijs van haar scherpe kritische kijk op zaken.
In het begin had ik aan haar moeten wennen. Ze praat met niemand mee en stelt vragen waar anderen hun mond houden. Ze stelt sowieso veel vragen. Ze fronst bij ongenuanceerde uitspraken en zegt eigenlijk nooit gelijk -ja-. Ze kijkt de kat uit de boom, om het zo maar te zeggen of beter vraagt waarom hij er eigenlijk zit.
Ik daarentegen, zie al bij het minste zuchtje wind de mooiste stormen waaien, denk met nog geen drupje water mijn glas half vol.
Ze is me dierbaar geworden. Ze is met haar extreme andere kijk mijn spiegelbeeld. Ik herken mijzelf door haar.
Ik heb geen lijntjes tussen mijn ogen. De mijne liggen horizontaal er juist boven, een rimpeling als in water, een rimpeling van verwondering over iedere dag, of groter, het hele leven.
Ik weet dus ook niet of het erg is haar lijnen te hebben.
Ze zegt ‘kijk, als dit weg is, is het veel beter’.
Ik kijk maar vind haar alleen maar heel mooi. Ik zeg ‘nee, niet doen, niet doen, ik vind je mooi zo.’  Ik herhaal dit een paar keer en hoop dat ze overtuigd raakt.
De dagen erna blijft het me bezig houden. Vooral de paradox van mijn bewondering voor haar mooie krachtige verschijning, de gedachte die ik meerdere malen heb gehad als ik haar zie dat vrouwen van 50 echt heel mooi zijn, tegenover haar vraag, die zo duidelijk bloot legde hoe zij dit zelf niet ziet.
Ik app haar nogmaals dat ze het niet moet doen. Ik zeg haar dat ik haar echt heel mooi vind zoals ze is. Ze antwoordt dat ze daar blij mee is.
Nu, een aantal weken later, denk ik er weer aan. Mijn zus re- postte een bericht over een jonge vrouw en haar eerste zomer zonder borsten, haar ervaring. Mijn zus re-post dit in herkenning. De littekens waar de jonge vrouw topless mee te zien is zijn haar verhaal. Ook zonder borsten is de vrouw op foto mooi. Zo ook mijn zus. En ik ben trots dat ze dat zo krachtig kan dragen dat littekens niets voorstellen bij het feit dat ze nog leeft.
Het leven tekent ons. Ons allemaal. De lijnen, de littekens op ons lichaam, ons gezicht zijn de verhalen van ons leven. Sommigen komen er door ongelukjes, ongelukken, of ziekte, anderen door de weg die we bewandelden, de manier waarop we het leven bekeken, er op reageerden, het bekritiseerde of ons erover verwonderde. Er is daarin geen mooi of lelijk. Alle lijnen hebben hun eigen verhaal. Een verhaal om door te vertellen. Bijvoorbeeld zoals nu op vakantie bij een kampvuur of onder de hoge bomen in een dennenbos. In ons gezin noemen we het ‘de litteken verhalen’. We proberen de littekens als verhaal, met de juiste spanning, en nodige dramatiek, als waarschuwing of wijsheid door te geven. Er is nooit iemand zonder verhaal. Ik hou van deze verhalen.
En door deze mooie dame met de scherpe blik realiseerde ik me, hoe ik haar lijntjes zou missen, hoe ik al jullie lijnen, lijntjes, littekens, jullie lichamen vol bewijzen van leven zou missen als jullie deze allemaal zouden herstellen naar nieuw, resetten naar nul, naar lichamen die zogenaamd nog moeten beginnen met leven. Lichamen zonder zichtbaar verhaal.