Voor als je me mist

Ik trek mijn wolfskleren aan en nestel me
op dit onmogelijke uur tussen de dieren
op de bank. Zij slapen nog dus drink ik
heet water en wacht. Straks vertrekken we
ik weet het, ik voel het in mijn benen.
Het dak op.
Daar is iedereen. Zusjes, dieren mijn kinderen
volgen elkaar op de voet. We huilen
naar de maan. De nacht zal rond zijn, blauw en goed.

Nu het warmer wordt

We zouden vogels kunnen zijn, balancerende
vleugelharten in de wind. Ik in jouw kielzog

of jij onder mij in lieglijn koersend op warmte.
We zouden golven kunnen zijn. Jij de zevende

huizenhoog. Ik de vele kleine. Het witte schuim
slaand uit onze dijen, zoute lichamen

in valversnellingen brekend op de kust.
We zouden de ander kunnen zijn. Mijn huid als jas

over de jouwe. Schreeuwend uit onze mond
een verwisselbare ik. Zoveel dragelijker dan

in de luwte van de formatie of de wederkerigheid
van het getij zouden ik en jij, zwevend

op thermiekbellen in de vlucht, schuimkoppig
in de windgolven van de zeegang, meer zijn
dan de uitkomst van het golfgetal.