Etsen van zijn

Nog twee dagen hier, op Koh Tao. Het eiland waar we zo’n dertien jaar geleden per ongeluk neerstreken en nooit meer helemaal vertrokken. Ik probeer de dagen te etsen. Ze te kerven op de koperen platen van mijn zijn. Zodat ik ze er thuis uit kan halen en stiekeme afdrukjes van kan maken op donkere dagen.
Ik hoef geen plaatjes van een blauwe zee met een wit strand boven mijn bed, dat is het niet, het is iets anders.
Ik kerf alvast deze nacht en deze ochtend;
De wind ruist om ons één kamer huis en glipt met lange vingers door de open ramen. Aait mijn gezicht en de haartjes op mijn blote benen. Ze mengt met het golvende geluid van de zee en wedijvert met de rustige slagen van de ventilator boven ons bed.
Het huis is niet groot en van hout en als je anders kijkt zou je het armoedig kunnen noemen maar voor ons heeft het alles wat we nodig hebben. Een kleine badkamer met lauwe douche, een groot en een klein bed waarop we onze blauwe lakens hebben gespreid en de grote veranda. We wonen hier op het strand. De zee ligt 20 meter voor ons als een al net zo gespreid laken.
Tegen de ochtend wint de wind en weet ze de kamer te koelen, net voordat de hanen kraaien. Dan klik ik de ventilator uit en wordt alles rust. Ik draai me op mijn zij, hoef nu niet meer op mijn rug de wind te vangen voor verkoeling en doezel weer in slaap.
De start van een nieuwe dag.
Een zacht strijkend licht wat ons wekt en ieder op zijn eigen tijd op laat staan. We praten niet. Niet nodig. We hebben na drie weken de zee in onze ogen net als alle mensen die hier wonen. Wie als eerste wakker is opent de deur naar de veranda waaronder het zachte zand al op onze tenen ligt te wachten en honden in alle kleuren en maten zich nogmaals omdraaien in de prille dag. Alleen de kippen zijn al met hun kuikens aan het scharrelen tussen de huisjes. Kuikentjes die soms al scharrelend in slaap vallen en daardoor hun broertjes, zusjes en belangrijker, hun moeder uit het oog verliezen. We zien ze luid piepend met lange nekjes smiddags tussen de andere kippen. Geen kip of haan die naar ze kraait. Soms vinden ze hun moeder terug, soms vindt een ander dier hen eerder.
We gaan zitten, blijven nog even staan, rekken ons uit of hangen op de houten veranda balustrade en luisteren al kijkend naar de logica van de ontwakende dag.
Het oneindige, oneindige kabbelen van de zee in al haar schakeringen blauw met grijs en wit waarop de enkele vroeg vertrokken duikboten zich aftekenen aan de horizon. De orde van de dagen hier. We trekken geen schoenen aan. Er zijn geen ochtendhandelingen nodig voor ‘naar buiten gaan’.
Langs het huisje loopt de Thaise klusjesman van de oude gedistingeerde dame waar we van huren, met zijn hond Pepsi. Hij glimlacht, knikt terwijl zijn bruine blote bast en zwarte dikke haren glanzen in het licht. Hij heeft geen haast. Ook zijn lachende ogen dragen het blauw van de zee in zich. Hij veegt het strand. De dag is begonnen.

Sussen

Boven je platte buik omhoog, onder tengere schouders
witte lijnen, een landkaart van verloren gebied. Hier
wordt de strijd gestreden, zonder keus.

(Het leven op de huid gedrukt zo
moest het weer gaan groeien.)

Op je buik liggend is het nu zacht maar onder het borstbeen sneden ze de angst door je spieren, naaiden ze plat,
stopten weg een onbetrouwbaar beest,

een wolf die huilt als je de deur wil sluiten, die gromt naar de stilte van jouw slaap, een jengelende kleuter die vraagt
naar ‘het waarom’, de dronken toerist die verloren blijft

op de kaart, zoekt met lange vingers -waar naar toe dan afslaat
naar de donkere steeg, waar onrust druipt van de gehavende muren, waar een vrouw kijft en geen hongerige hond blijft,

(waar ze doden voor de hoop op morgen, op dit uur.)

Daar draai jij je dichter in het witte laken. Legt lange armen
om je volle hoofd. Fluistert zuchten langs voorzichtige adem.
Bent van slaap en rust beroofd. En om niemand te belasten

of storen, aai je de lijnen als weerbarstig haar. Komt bij iedere oneffenheid jezelf weer tegen, sust zo het dier in slaap.