Stille vogels

 

De ziekte kwam zitten als stille vogels
op het dak. We huilden noodweer
achter gesloten ramen. Oud worden,
vakanties, een nieuwe jas, ze dropen
als straaltjes over het glas, verdwenen
beneden in de rulle aarde.

Tot de tranen stopten en we zwegen.
Ons voorhoofd legden tegen de koude ruit.
Naar buiten staarden en bezweringen fluisterden
tot de nacht, met neergeslagen ogen keken
hoe ontwakend niets meer zeker was.

De onmogelijkheden geteld
plaatsten we de dagen terug, als een kleine adem
onder vogelveertjes. Het ritme kwijt
lopen we nog nauwelijks in pas. Verzinnen
schuilplekken voor een onverwachtse bui.

De avond komt toch, ook nu in deze dagen,
daar kunnen we niks meer mee
dan er niet teveel zijn. Het is wachten op licht,
zuchten en vleugels spreiden, tegen de logica in
opstijgen. Boven de stille vogels uit, de zon zoeken
in het zwart, verschroeide lucht ruiken, branden

(en toch gaan.)

 

Geslaagd

Ik lees de laatste tijd regelmatig columns en interviews met of van jonge moeders waarin zij vol trots zich afzetten tegen het moederschap. Sommigen schreeuwen bijna van de daken ‘ik ben geen geboren moeder, ik heb meer nodig in mijn leven’ of ‘ik verveel me te pletter met ‘het’ kind’, ‘ ik ben blij als ‘het’ naar de crèche is.’
Naast dat ik een plaatsvervangend verdriet voel voor ‘het’ kind wat dit ongetwijfeld als jong volwassenen terugleest, zie ik het als een nieuwe stroming die past bij de prestatiemaatschappij. Iedereen moet iets zijn, iedereen moet laten zien hoeveel hij waard is en helaas heeft moederschap weinig aanzien op de maatschappelijke ladder.
Ik moet hier aan denken zo in deze week. Deze bijzondere week. Een week waarin veel jongeren hun diploma haalden maar ook voor de ouders waarvan hun kind een diploma haalden. Ik had eigenlijk niet verwacht dat ik het zo zou voelen maar het voelt als een mijlpaal. Niet om dat diploma, iedereen die me een beetje kent weet dat ik daar weinig waarde aan hecht, maar natuurlijk toch ook om dat diploma want het is binnen deze maatschappij het entree kaartje om verder te mogen ( als je dat tenminste wil). Belangrijker is denk ik, hoe ik me deze week realiseer hoe groot mijn kindje is geworden. Als ik naar mijn omslagfoto op Facebook kijk, waarop hij staat, zie ik een zelfverzekerde, stralende, jonge man. Voor anderen niet zichtbaar zie ik er doorheen dat nieuwsgierige baby’tje met die grote blauwe ogen en voel ik nog zijn perzik-huidje. Ik zie ook nog steeds dat kleine tengere kleutertje wat overal op klom, dat energieke jongetje wat zichzelf perfect diabolo leerde spelen vanuit YouTube filmpjes en daarnaast lonkt guitig de tiener die al vlug van watervallen sprong, met de scooter over koh Tao scheurde en er leerde duiken. De tiener die samen met hele leuke andere jongeren een nieuw eigen dorp creëerden in Amsterdam, een hechte, eigengereide vrienden club waarbij gender een veel minder benauwende rol toebedeelt kreeg dan anderen voor hen deden. Ik zie de jongen, inmiddels langer dan ik, ’s nachts in grachten springen en andere grenzen verleggen. Naast mijn kind zie ik mijzelf in al mijn verschijningsvormen van de afgelopen jaren. De jonge, onervaren moeder en de bijbehorende worsteling van het net moeder zijn, geen gebruiksaanwijzing hebben en toch zoveel verantwoording krijgen over een nieuw leven. Ik herinner me hoe zwaar dat was maar ook hoe met mijn zoon er een nieuwe wereld bij kwam. Een wereld waarin je opnieuw mocht vertragen zoals je dat zelf als kind deed, echt kijken naar alles om je heen, de tijd nemen voor de dag, je weer verwonderen omdat hij je essentiële vragen stelt of langer stil staat bij de vergeten schoonheden van de dag. Ik herinner me al die grote en kleine geweldige momenten, aprilfeesten met een mooi nieuw mensje op onze schouders, de vader monterend in de filmacademie met baby zoon ernaast slapend, boekjes lezen op de bank bij de open tuin deur in het kleine huisje op de Rombout hogerbeetsstraat, door een kleurig en geurend India lopen met die kleine beentjes schuin om mijn heup, puzzelen op de grond in een zonovergoten kamer, steltlopen voor de deur, hem naar school brengen met het kleine zadeltje voor op de fiets en samen zingen, al die andere ouders op de school met vergelijkbare kindjes, die vrienden werden en ons leven verrijkten en zoveel meer. Een hoofd vol.
Maar nu, nu is hij klaar met de middelbare school en weet ik dat hij binnenkort vertrekt voor een reis. Hij zal niet meer thuis zijn. Hoe lang weet hij nog niet, een half jaar tot anderhalf jaar. Hij vliegt straks letterlijk uit. Een nieuw deel leven wacht voor hem maar ook voor mij, voor ons.
Deze week heeft daardoor ook iets weemoedigs, iets trots weemoedigs. Hij is geslaagd, ja, wat een geslaagd deel leven is hij. Lees verder Geslaagd

Rustig rustig

Op de kleinere en grotere stenen lees ik
de patronen. Ik zou hier kunnen leven, keitjes
door de dagen. Een stad van verhalen zoals mijn hoofd vol
twijfelt en vogels boven de brug in de lucht struikelen.
Ik heb een sleutel en een tweeledige houten poort.

Ergens is het altijd chaos in kleine hoekjes en achter de randen
lijkt alles te stranden in wat beter kon, ik dichter bij wil
en recht leg. Ergens is het als in sporen lopen en toch
verdwalen. Vlaggetjes spannen en dat herhalen
fluisteren dat het komt, goed.

Tussen haken

In het huis voor zieken hoor ik onze stemmen
kaatsen, tegen hotel witte wanden. We proberen het;
knijpen onze ogen dicht, zijn bij zee,
in een vorig land, jij lacht, mijn zus.

We trekken de minibar open maar plunderen niets,
het loopt hier uit de hand, zusters zeilen binnen,
met handen vol aan ons, of eigenlijk jou
wat kunnen we beginnen als je steeds weer

tussen vingers door blijft glippen.
Je lacht, zus, en ziet ons al zwemmen,
daar betalen we goud voor, de sjacheraar
die ons meer biedt dan deze; doodlopende tripjes

door dalen waar de bomen ons de adem benemen maar
een bezoek aan de toppen niet in de koop is inbegrepen.
Je schuift je heup en trekt aan pijn,
we nemen de rolstoel niet mee, herinneringen
naderen het dichtst ons verlangen

daar horen rennende benen bij.
We ketsen al vlug als kogels terug
van de wanden, branden vragen af, oh zuster,
we proberen er echt niet in te blijven steken.

(dat maar niets zal breken! op dit bezoekende uur)

Ik breng mijn hand omhoog en kruis bedreven mijn vingers
een schaduwvogel op de hagelwit beschoten muur.