Ziek

Het was maandag en dag
zo was nog het feit
ik lag alleen in het bed
groot wit vlak in een verduisterde kamer
ik riep ‘red mij’ maar niemand hoorde me
het wit vloeide uit, waarin ik verhitte tot lava
en verdween, iedere minuut werd een wachten
ik stak handen uit naar koortsige passanten
maar iedereen loste op in zichzelf
en ik bleef
roepen
Red mij
Red mij

tot mijn longen pijn deden en mensen
zich over me begonnen te buigen
maar me niet meer konden vinden
ze zeiden sssst en tssst
slopen op tenen terwijl ik handen
stak door het oppervlak
wegdreef en vroeg
Red mij
Red mij

toen moest ik gaan staan
anders konden ze me niet zien
maar ik had geen benen meer
zij zeiden van wel en namen me mee
ze diagnosticeerden, infiltreerden,
mijn bloed, mijn hoofd, analyseerden me
in röntgen, brachten me terug tot
8 pillen
8 pillen

daar zag Ik de wereld vanbinnen
zo verlaten als een beschoten stad
met schutters op elke dakrand
en huilende baby’s zonder ouders
ik zag monden met tanden maar zonder woorden
ogen die verkoolden en stikten in het zwijgen
en ik, wist niets
Red mij
Red mij

weet niet of ik terug wil of eraf
lig te hopen op een besluit
en de vertaling
die maar niet komt.

 

 

Het woeste westen

Een korf met vijf kinderen zwiert door de lucht,
een nestje koekoeksjongens kwetteren, gooien
ledematen over elkaar, als mikado
zijn ze, worden kwaad als een draaiend blad

in de wind, vallen zonder zwaartekracht
in geldingsdrang. De grote jongen naast me
lacht, hij heeft ze verzameld, hier gebracht
‘zo weinig mannen in dit vak, het is een gemis’

lacht met witte tanden, trots
de woorden lichter. Hij is er tenslotte,
laat ze hun handen en benen bewegen, geeft

niet zoveel gas tegen, smeert tranen
en brandnetels weg met paarse bloemen,
kijkt of ik hem wel zie, de grote jongen,
ruwe bolster in kinderschoenen, ‘mevrouw,

het is wat de wereld zegt, we zijn met te weinig hier.’

Ik denk aan de koekoek, waar zij nu is, zo laat
ze haar jongens voeden door een stadse mus
en zal ze straks vragen hoe het met ze gaat,
‘ik laat ze wat makkelijker

huilen’ zegt hij dan waarschijnlijk enthousiast.

Zo vliegt een nest met jongetjes hier voorbij
en koekoek ik, aan mijn zij, de grote jongen.

 

 

het later ‘een weekendje weg’ noemen

De sleutel krijgen, deuren openen
naar een stille kamer. Een huis
van anderen je eigen maken. De meubels
schuiven, het bed horen, kraken, kijken
waar je licht kan laten

komen. Hoeveel passen tot
het raam. Te weinig spullen
om kwijt te raken. Schilderijtjes
die betekenisvoller zijn
dan gedacht, of onnozeler,
gehangen door handen, zorgvuldig

gekozen. Een ruimte die ik niet ken
binnenstappen en dan thuis komen
voor een paar dagen.