Don Quichote

Ik ben niet zoals jij. Jij roeper
van vuur. Met tot de tanden je wapens.
Je zwaait vleugels, als glazen, kapot op de vloer.
Draait geen handen om voor strijd. Krijgt voedsel uit alles
in verzet. Jij jager, jij hakker, jij boer
zonder veld. Jij bent als verloren
zonder zaden en boog.
Het ontglipt je de dagen. De noodzaak voor brood.
Dus bestrijd je de wind,
molens op je weg.
Pas als in wolven gehuil ik roep
om al wat gaat breken,
wanneer de dieren zijn gedood en de akkers verwoest,
zaai je nieuwe zaden in mijn hoop
op betere dagen.

 

 

Anders is het te koud

  • Gisteren stond ik met Leloup nog vlug even in de Zara voor een outfit voor haar kerstdiner van vanavond op school. Ze groeit hard en de jurkjes van vorig jaar passen niet meer. Op de meisjesafdeling stonden we vervolgens te twijfelen bij een superzacht bolerootje toen ik naast me een mannenstem hoorde ‘wat denk je van dat tule jurkje met die geborduurde bloemetjes en haar zwart fluwelen schoentjes?’ Een andere mannen stem, iets lichter, antwoordde ‘ja mooi maar misschien wat koud’. De eerste ging verder ‘als we dat doen dan is zo’n bolerootje er wel mooi bij, ook wat warmer inderdaad, denk je niet?’
    Ik voelde aan de zachte stof en realiseerde me dat er iets vervreemdends was aan dit gesprek, normaal gesproken hoor je niet zo vlug twee mannen overleggen over dit soort zaken. Nieuwsgierig geworden bleef ik luisteren, waren dit twee vaders die samen nadachten over de outfit van hun dochter? Ik spitste mijn oren.
    Leloup had één van de vestjes gepakt, ‘hmm het is blauw, het lijkt zwart maar is blauw’ zei ik hardop. Leloup keek met me mee en we draaiden het vestje in verschillende hoeken in het licht. Ik voelde de mannen meekijken. ‘Is het blauw?’ zei de ene man tegen de ander. Ook zij pakten een vestje op en bekeken het aandachtig. Nu toch wel heel bewust van de ongewone situatie, keek ik op, twee lange mannen, goed gekleed en met frisse gezichten stonden naast me, onze blikken kruisten elkaar, ze glimlachten met zachte ogen. Twee paar ogen met een zelfde blauw en twee keer een glimlach met een zelfde rust. De één was in de vijftig, schat ik, de ander twintig misschien. Ze leken op elkaar. Vader en zoon.
    Nu een dag later ben ik nog steeds geraakt door de vanzelfsprekendheid waarmee zij overlegden. Hoe zij daar samen op pad een outfit uitzochten voor een klein meisje, misschien het zusje van de jongen. Hoeveel zachtheid en liefde sprak uit hun eigenlijk alledaagse gesprek. Alledaags, ja, de inhoud, maar hoe bijzonder om een vader en zoon dit gesprek te horen voeren. Hoe mooi als voorbeeld van de hedendaagse man maar ook de hedendaagse vader en zoon relatie, of hoe die kennelijk kan zijn. Hoe bijzonder in zijn eenvoud. Hoe warm en samen. Hoe mooi als voorbeeld en hoe hoopvol voor de toekomst zoveel zachtheid en aandacht. Wat fijn om dat als cadeautje te krijgen in de Zara op een doordeweekse dag.

Al zegt dat niets

Wat ik wel kan
in een meute, massa, mensen,
lopen,
op een drukke dag,
tegen de stroom in,
eindigen.

Wat ik wel kan
is, onder ogen door huid,
er niet zijn.
Ik kan, blijven denken, zo in ganzenpas,
hoe het met rechte rug, beter is.

Wat ook kan is
dat zij het beter weten,
de meute, massa, mens
dat ze roepen ‘pas op er zijn dieven onder ons’
en ik zal zeggen
dat ik hier nooit kom,
dat het toeval is
dat ik ga.

Dat ik dat zeggen kan
dat ik wel ga,
niet vlucht,
dat ik, net als zij,
ook blijf.

Dat ik dat kan.

 

Doe is normaal joh

Maar het gevaarlijke is dat zo stapvoets, voor veel mensen onzichtbaar, het allemaal steeds normaler wordt. Nog niet zo lang geleden was het een hoog goed als je de beschaafdheid had om rekening te houden met elkaars persoonlijke voorkeuren en eigenaardigheden, van hoofddoekjes en religie tot roken of een seksuele voorkeur.

Inmiddels zijn we langzaam verschoven naar ongeschreven nieuwe sociale regeltjes en wetten, naar het zogenaamde recht om te mogen eisen dat een ander rekening houdt met een algemeen heersende norm die steeds minder eigenaardigheden en anders zijn toestaat, datgene wat de meerderheid ‘normaal’ vindt. Gesteund door het internet en deze nieuwe regeltjes mogen we met zijn allen opeens politieman spelen en elkaar veroordelen.

En we vinden dat, vooral dat, steeds normaler in plaats van de geweldige schoonheid en kracht van diversiteit en de beschaafdheid om rekening te houden met elkaar.

 

 

En dat je het daar dan mee moet doen

Om de hoek
lag fluisterend de zondagochtend door de straat, slordig weggevouwen
feestgedruis druipt af, de hoek om. Een T-shirt met korte mouwen
hangt vragend over een gevallen fiets, een half blikje bier bleef achter,
iemand vergat zichzelf.
In zijstraten verstopt het laatste verlangen zich zuchtend achter de gordijnen.
Deuren worden gesloten en huizen werpen hun baljurken uit
nu de straatverlichting dooft. Ze staan met naakte muren,
wachten rillend op de nieuwe dag, dit uur.
En dan ik, nooit zo vroeg hier, wel laat, passeer,
twee onrustige ballonnen
op de stoep, lange draden verloren geluk, blaffen
hun verlatingsangst naar de enkele voorbijganger, naar mij.
Hoor ze roepen ‘hier zijn we, hier is het feestje’,
deinend, vastgeketend aan de stoep. Een omhelzende
5 en 2 verwisselen van plaats.

Ik kijk weg, opzij, in winkelruiten
die op dit uur, zo zonder licht, alleen je spiegelbeeld verkopen
en dat je het daar dan mee moet doen.

 

Daar zit je dan, te gast, zonder dat je naar huis kunt.

Wat neem je mee als je vlucht? Geld, belangrijke papieren, je telefoon, eten? Niet veel in elk geval.
Ik probeer me vaak voor te stellen hoe dat moet voelen, hoe het is om te moeten vertrekken. Ergens besluit je te gaan, dat je niet anders kunt en dat je moet gaan. En dan ga je.

Maanden later kom je aan, in een vreemd land, met je zomerschoenen en zomerjas, nog geen bed voor de nacht, nog geen eten.
Met een hoop mazzel, waar je waarschijnlijk dankbaar voor bent tot in je tenen, heb je de reis overleeft en ben je aangekomen in Nederland. Je vindt een opvang en je durft, misschien, voor het eerst te huilen, even los te laten. Je bent veilig. Je mag zelfs mee met de aardige dame die je naar de verzamelplaats brengt, of het winkeltje zoals de anderen het noemen. Daar liggen spullen, spullen die mensen, die iets konden missen, daar brachten voor mensen zoals jij, mensen zonder iets. Je krijgt een jas en mag ondergoed, een shirt en een broek uitzoeken. Iets later kun je douchen en krijg je eten. Je lacht zelfs even, misschien.
Het zal nu allemaal beter gaan. Je denkt aan je familie. Binnenkort zal je ze weer zien. Morgen ga je vragen of ze kunnen achterhalen hoe het met ze gaat, waar ze zijn. Morgen, maar eerst moet je slapen. Zo moe ben je.
Maar de volgende dag is er niemand die een antwoord weet en de dag erna ook niet.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niets meer te hebben, alleen dat wat je krijgt. Om zoveel te moeten missen dat je hart voortdurend huilt, om nog wat later een groot pijnlijk gat te worden zonder einde of begin waar je om heen gaat lopen, of van weg gaat lopen. Waar beelden in zitten van spelende kinderen, eerste liefdes, bloesem in de lente, de geboorte van je zoon, je lachende moeder maar ook andere beelden, lichtflitsen in de lucht, instortende huizen, je huilende vader. Zoiets denk ik dat, misschien, gebeurt.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om je dagen te vullen met pogingen tot hoop. Om afhankelijk te zijn, afhankelijk zoals een huisdier van zijn eigenaar. Om niet verder te kunnen gaan met leven omdat je geen bouwstenen meer hebt, geen familie, geen bezit, geen werk, geen geld zelfs geen vrijheid.
En dat het dan winter  wordt, zoals nu. Je bent hier al lang. Je telt de dagen maar bij de administratie weten ze het preciezer.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, als je ergens bent waar je niet kunt zijn. Als je plek er niet meer is en er ergens anders, hier, ook geen plek meer voor je is en dat je dat begrijpt. Dat je begrijpt dat je te gast bent en dat je normaal gesproken beleefd op huis aan zou gaan als je merkt dat je aanwezigheid wel genoeg is geweest. Alleen kun je niet naar huis.
Hier thuis, in dit warme huis vol herinneringen, foto’s, tekeningen, sporen van een fijn verleden en daarnaast een zacht warm bed, kasten vol eten, twee snorrende katten en mijn goed doorvoede gezonde kinderen en mijn lief, probeer ik me dat voor te stellen.

Hoe het is als je niet naar huis kunt, dat er geen thuis meer is, dat alles weg is. Je niets liever zou doen dan naar huis gaan omdat alles alleen nog maar missen is geworden en een volgende dag, die komt, steeds weer.

 

Er was eens…

‘s Avonds, als ik binnen stap, omhelst
haar wereld mijn dag. Ze plaatst kusjes
als lichte veertjes en als trofee vangt ze mijn lach.
Ze neemt me mee in haar verhalen, knoopt
haar woorden tot een net. Zo schept ze luchtig,
nieuwe dromen, tot ik zeg: ‘kom, nu naar bed’

Een sprookje zou haar niet misstaan: ik zou
haar gouden haren kronen, het bos
met vogels tooien, de prinses
in haar ontmoeten en de draak voor haar verslaan.

Zo verdwaal ik in verhalen, knoop mijn woorden tot een net.
Schep ik luchtig nieuwe dromen, tot zij zegt:
‘Kom, je bracht me toch naar bed.’

 

 

 

 

 

Een wrede stilte

Hier komen we samen. Vraag naar ons. Ze zullen je wijzen waar.
Na de deur neem je de steile trappen, je slaat niet af maar
pas boven blijf je staan.
Daar vind je een ruimte met stille mensen. Ze wachten
met gestreken handen,
op hem, net zoals jij zult doen.
Neem een plaats die vrij is.

Hier is het, hier zal het zijn.
Hier speel je allereerst de nonchalance
met verve
en herhaalt de namen.
Als hij komt zul je het weten.
Hij zal lachen als hij ons ziet, het teken. Het komt goed.
Hij weet tenslotte waarvoor we komen, neemt plaats en
fluistert een naam.
Dat is het teken.

Dan schuiven we woorden
over de bleke tafel en leggen letters in het felle licht.
Ook jij.
We kijken toe hoe hij met zachte handen ontleedt en vraagt
of iemand anders nog wil snijden. Dan zwijgen we vooral, in wrede stilte.
Wij, zorgvuldige vreemden.

Daar zul je ons vinden en weten dit ben jij.

 

 

 

[ode aan de schrijversvakschool]